← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:19796

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.22501 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. Pieters), en de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: E. Amtink). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker.
  2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
  3. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.
  6. Wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoeker daarom vraagt. Dit kan alleen als er sprake is van onmiddellijke spoed. Dit betekent dat de beslissing op het bezwaar absoluut niet kan worden afgewacht. Om dit te beoordelen moet de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker afwegen tegen de belangen van verweerder.
  7. De minister heeft in de brief van 30 oktober 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
  8. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
  9. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het bestreden besluit niet wordt geschorst, ook niet als tegen dat besluit bezwaar is gemaakt.2 Verder heeft de minister op grond van de wet zelf geen bevoegdheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten.
  10. Nu partijen het er over eens zijn dat verzoeker voorlopig niet moet worden uitgezet, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
  11. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; - verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier. 2 Op grond van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 november 2024 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.