← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:19889

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL24.38120 (beroep) en NL24.38121 (voorlopige voorziening) proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. R. Akkaya), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Deniz). Inleiding In het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De zaken zijn samen op 25 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank en de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  2. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat hiervoor verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
  3. Dat eiser geen vertrouwen meer heeft in de Duitse autoriteiten omdat zijn aanvragen al verschillende keren zijn afgewezen, is geen reden om aan te nemen dat deze aanvraag ondeugdelijk zal worden afgehandeld. Verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Duitsland zich daarbij houdt aan zijn internationale verplichtingen, zoals de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
  4. Op eisers vrees voor indirect refoulementbeginsel kan de rechtbank niet ingaan. Daarvoor moet eiser eerst aannemelijk maken dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat heeft eiser niet gedaan. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni
  5. Verweerder heeft ook geen reden hoeven te zien om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
  6. Het beroep is daarom ongegrond.
  7. Omdat de rechtbank op het beroep van eiser beslist en dit ongegrond verklaart, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst in de beide zaken geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024 door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Verordening (EU) nr. 604/213 ECLI:EU:C:2023:934 ECLI:NL:RVS:2024:2359

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.