RECHTBANK DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09-857294-16 Raadkamernummer: 24-010965 Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [de klager] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.H.J. Bals, Noordeinde 16, 4481 BJ te Kloetinge (hierna: de klager). Inleiding Het beklag strekt tot teruggave van € 25.332,60. De strafzaak tegen de klager is op 19 maart 2024 geëindigd middels een vonnis van deze rechtbank, waarin de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging. De procedure in raadkamer De rechtbank heeft dit beklag op 13 augustus 2024 in openbare raadkamer behandeld en heeft kennisgenomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer. De klager, bijgestaan door mr. A.H.J. Bals, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. T. Nauta gehoord. Het standpunt van de klager De klager heeft verzocht om teruggave van het geldbedrag omdat de strafzaak is geëindigd in niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en het strafvorderlijk belang dus niet langer het voortduren van het beslag eist. De klager heeft weliswaar een afstandsverklaring getekend voor het geldbedrag, maar hij is niet gewezen op de consequenties daarvan en was er destijds niet van op de hoogte dat dit betekende dat hij afstand deed van zijn eigendom. De klager heeft in raadkamer verklaard dat hij op Schiphol werd staande gehouden en dat hem werd verzocht om alle goederen van waarde die hij bij zich had af te geven aan de Marechaussee, opdat daar conservatoir beslag op kon worden gelegd. Aangezien de klager op het punt stond om met zijn gezin op vakantie te gaan had hij zijn spullen nodig, dus heeft hij gevraagd of het goed was als hij de waarde van de goederen in geld zou overhandigen. Een familielid heeft hem vervolgens een geldbedrag geleend en is dat komen brengen, waarop het in beslag is genomen. Met het ondertekenen van de afstandsverklaring dacht de klager slechts een ontvangstbewijs te tekenen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij alvast had betaald voor het geval hij zou worden veroordeeld in de strafzaak die tegen hem liep. Zou hij niet worden veroordeeld, dan dacht hij het geld terug te zullen krijgen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beklag, omdat hij een afstandsverklaring heeft getekend en het geldbedrag aan benadeelden is gegeven en er dus geen strafvorderlijk beslag meer rust op het geldbedrag. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank moet eerst beoordelen of de klager in het beklag kan worden ontvangen. Dat is slechts het geval indien het beslag niet reeds is geëindigd. Ingevolge artikel 134, tweede lid, aanhef en onder b, Sv eindigt het beslag doordat het openbaar ministerie de last geeft als bedoeld in artikel 116, tweede lid, onder c, Sv. In artikel 116, tweede lid, aanhef en onder c, Sv is bepaald dat indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, het openbaar ministerie kan gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer. De rechtbank neemt bij haar beoordeling of die situatie zich hier voordoet tot uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:148: “Art. 116, tweede lid, Sv stelt aan de daar bedoelde verklaring waarmee de beslagene afstand doet van een inbeslaggenomen voorwerp, de eis dat deze verklaring schriftelijk en ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar wordt afgelegd. Naast deze eis geldt (ook) voor de in art. 116, tweede lid, Sv bedoelde afstandsverklaring - die de consequentie heeft dat de beslagene zijn aan het civiele recht te ontlenen aanspraken op het inbeslaggenomen voorwerp prijsgeeft - dat zij slechts rechtsgevolgen heeft als zij kan worden opgevat als de openbaring van de wil van de beslagene tot het doen van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp (vgl. art. 3:33 BW). Gelet op de verstrekkende en voor de beslagene veelal eenzijdige consequenties van een afstandsverklaring, is daarvan in de regel slechts sprake indien kan worden aangenomen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.