RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL24.36947 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer] eiser (gemachtigde: mr. J. Sinnema), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 7 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. 4.1. Eiser vreest voor de oorlog, bombardementen en rekrutering in Jemen. Eisers vrienden zijn gerekruteerd en omgekomen aan de frontlinie. Daarnaast is eisers vader bedreigd vanwege zijn werk in het onderwijs. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:1) Eisers identiteit, nationaliteit en herkomstUit het geloofwaardig geachte asielmotief van eiser volgt volgens de minister niet dat eiser een vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. Is er sprake van willekeur en schending van het rechtszekerheidsbeginsel?5.1Eiser voert aan dat het landenbeleid van de minister op 24 april 2024 is aangepast en dat daarmee in Jemen geen artikel 15c-situatie meer is voor iedereen die daar vandaan komt. Daarvoor was dit wel het geval. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 7 maart 2023 ingediend en stelt dat zijn aanvraag getoetst had moeten worden aan het landenbeleid van vóór 24 april 2024. Reeds verleende vergunningen worden namelijk niet ingetrokken, zodat ook aan eiser een vergunning verleend had moeten worden. Er is daarmee sprake van willekeur en ook is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Eiser verwijst in dat kader naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juli 2024, waarin een uitzondering is gemaakt op de ex nunc-beoordeling. Wanneer de minister een landenbeleid aanpast, hoeft hij niet gelijk over te gaan tot het intrekken van vergunningen die op basis van het gunstigere beleid waren verleend. Enkel door de willekeur in het oppakken en beslissen van zaken is de aanvraag van eiser afgewezen. Als de aanvraag tijdig was ingewilligd dan was de vergunning van eiser niet ingetrokken. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2016. Uit het arrest A en S tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 volgt dat het recht op gezinshereniging niet mag afhangen van hoe snel de autoriteiten beslissen, omdat ook dan sprake kan zijn van willekeur. Een vreemdeling die is binnengekomen en zijn asielaanvraag heeft gedaan als minderjarige, moet als minderjarige beschouwd blijven worden. 5.2. Ter zitting heeft de minister verklaard dat hij begrijpt dat het voor eiser kan voelen alsof hij in zijn rechtszekerheid is geschaad en dat er in zekere mate sprake is van willekeur, in die zin dat eisers aanvraag na de aanpassing van het landenbeleid is behandeld. Omdat sprake is van een ex nunc-beoordeling moet echter worden uitgegaan van het recht zoals dat geldt op het moment van het nemen van het besluit. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De minister dient te toetsen of eiser ten tijde van het nemen van het besluit te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat het landenbeleid ten aanzien van Jemen in het verleden anders was dan het huidige landenbeleid doet volgens de minister niet ter zake, ook al pakt het voor eiser anders uit dan voor mensen die tegelijkertijd een aanvraag hebben ingediend en waarop eerder is beslist. De rechtbank kan de minister hierin volgen en de werkwijze van de minister is naar het oordeel van de rechtbank juridisch juist. De minister stelt verder dat geen sprake is van een verkapte intrekking. Uit de uitspraak waar eiser naar verwijst volgt namelijk dat de vraag of een reeds verleende vergunning kan worden ingetrokken naar zijn aard een andere beoordeling vergt dan de vraag of een eerste aanvraag om verlening van een vergunning kan worden afgewezen. Bij een intrekking moet namelijk rekening worden gehouden met de omstandigheid dat iemand een reeds verworven recht zal verliezen. Dit rechtvaardigt volgens de minister dat reeds verleende vergunningen aan mensen met de Jemenitische nationaliteit niet worden ingetrokken, terwijl nieuwe asielaanvragen niet langer op dezelfde manier worden ingewilligd. Eisers stelling dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden volgt de rechtbank om voorgaande redenen dan ook niet. De aanvraag van eiser is naar het oordeel van de rechtbank terecht beoordeeld conform het ten tijde van de besluitvorming geldende landenbeleid ten aanzien van Jemen. Is er sprake van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade? 5.3. Eiser stelt primair dat ten onrechte geen 15c-situatie is aangenomen en verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 25 oktober 2024. Subsidiair stelt eiser met de problemen uit het verleden en het werk van zijn vader wel degelijk zijn persoonlijke situatie te hebben aangetoond. Bij de beoordeling van de individuele problemen is sprake van een gedeelde bewijslast en gezien het relaas van eiser en de informatie over de veiligheid in Jemen loopt eiser bij terugkeer risico op schending van artikel 3 van het EVRM. 5.4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat sinds het aangepaste landenbeleid ten aanzien van Jemen wordt aangenomen dat het aantal burgerslachtoffers in samenhang met de omvang van het geweldsniveau, afgezet tegen de totale omvang van de bevolking, niet zodanig is dat van een 15c-situatie kan worden gesproken. Wel wordt door de minister aangenomen dat in Jemen sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld. In zo’n situatie dient eiser, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024aannemelijk te maken dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in combinatie met de intensiteit van willekeurig geweld in Jemen voor hem zorgt voor een reëel risico op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld. In deze zaak betreffen de individuele omstandigheden de vrees voor rekrutering en het werk van eisers vader. Voor beide omstandigheden geldt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij daardoor een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld. 5.5. De rechtbank overweegt dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister bij toepassing van artikel 15, onderdeel c, van de Kwalificatierichtlijn zowel de individuele omstandigheden als de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst moet betrekken. Alleen in de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een risico loopt, wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. De vereisten om aan het betrekken van die individuele omstandigheden toe te komen zijn slechts dat er
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.