vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/658562 / HA ZA 23-1113 Vonnis van 11 december 2024 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. R.M.W. de Haan te Utrecht, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna [eiser] en de Staat genoemd. 1. De zaak in het kort 1.1. Deze procedure betreft een zogenoemde Begaclaim-zaak. [eiser] heeft de Staat aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig strafrechtelijk optreden door justitie tegen hem. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de Staat (justitie) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en schadeplichtig is, en vordert vergoeding van de daardoor geleden schade en een rectificatie (excuses) van de Staat. Daarnaast vordert [eiser] schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij strafvervolging. Volgens de Staat moeten de vorderingen voor zover gebaseerd op een onrechtmatige overheidsdaad worden afgewezen wegens verjaring dan wel omdat niet is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid. Ten aanzien van de gestelde overschrijding van de redelijke termijn refereert de Staat zich aan het oordeel van de rechtbank. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Begaclaim-vordering is verjaard. De rechtbank ziet kort gezegd met het oog op min of meer vergelijkbare gevallen als die van [eiser] waarin ook tot verjaring is besloten, onvoldoende grond om de verjaring te doorbreken. Dit betekent dat deze vordering in al haar onderdelen moet worden afgewezen. Wel heeft [eiser] recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij strafvervolging. De rechtbank wijst het door [eiser] in dit verband gevorderde schadebedrag van € 2.500 toe, plus rente en compensatie van de proceskosten. 2. De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 1 december 2023; de akte overlegging producties van de zijde van [eiser] , met de producties 1 t/m 19; de conclusie van antwoord, met de producteis 1 t/m 16; het tussenvonnis van 24 juli 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; de akte overlegging producties van de zijde van [eiser] , met de producties 20 t/m 24; de akte houdende overlegging producties van de zijde van de Staat, met de producties 17 en 18. 2.2. Op 14 oktober 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen [eiser] , vergezeld van zijn vrouw en bijgestaan door mr. De Haan voornoemd en haar kantoorgenoot mr. J. De Haan. Aan de zijde van de Staat zijn verschenen R. Zwarts (advocaat-generaal in de strafzaak) en M. Groenewegen (juridisch adviseur bij het Parket-Generaal), bijgestaan door mr. Ten Broeke voornoemd. Tijdens de mondelinge behandeling is namens partijen het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen en hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. 2.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 3. De feiten 3.1. [eiser] was jarenlang directeur-bestuurder van Stichting [stichting 1] (hierna: [stichting 1] ), een overkoepelende zorgaanbieder. [stichting 1] verzorgde de boekhouding en de facturatie, waaronder de financiële verantwoording van persoonsgebonden budgetten (hierna ook: pgb’s of pgb-gelden) voor 27 zogenoemde Zorgverlenende Relaties (hierna ook: ZVR’s). De houders van de pgb’s sloten zorgovereenkomsten met [stichting 1] die de zorg uitbesteedde aan ZVR’s, waaronder Stichting [stichting 2] (hierna: [stichting 2] ), waarvan [eiser] ook jarenlang directeur was. 3.2. [eiser] is in 2014 (met meerdere (rechts)personen) als verdachte aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek naar – kort gezegd – het feitelijk leidinggeven aan frauduleus incasseren van pgb’s ten behoeve van zorginstellingen (hierna ook: de strafzaak). De verdenking was dat er door voornoemde zorgaanbieders binnen het [stichting 1] netwerk meer zorguren en andere zorgvormen waren gefactureerd en gedeclareerd dan in werkelijkheid waren geleverd. 3.3. Vanwege de verdenking jegens [eiser] heeft op 25 juni 2014 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [eiser] . Blijkens het daarvan opgestelde proces-verbaal heeft de daarbij aanwezige rechter-commissaris aan [eiser] het doel van binnentreden meegedeeld, de cautie gegeven en de beslissingen doorzoeking uitgereikt. 3.4. Op 17 maart 2015 is [eiser] aangehouden. Blijkens het daarvan opgestelde proces-verbaal is [eiser] daarbij medegedeeld dat hij werd verdacht van valsheid in geschrifte en witwassen. Vanaf die dag tot 19 maart 2015 is [eiser] inverzekeringgesteld geweest en is [eiser] als verdachte verhoord. 3.5. De officier van justitie heeft [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel (hierna: de strafrechter), waarbij [eiser] – kort gezegd – is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift, (gewoonte)witwassen door [stichting 1] en [stichting 2] en aan deelname aan een criminele organisatie die het oogmerk had om het voorgaande te doen. 3.6. Op 13 juni 2016 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is namens [eiser] uitvoerig stilgestaan bij het bestaan van een gedoogde uitvoeringspraktijk van de zorgkantoren. Het Zorginstituut Nederland is verzocht, eerst namens [eiser] en later door het OM, om (nadere) informatie daarover. Het Zorginstituut Nederland heeft op die verzoeken gereageerd bij brief van 11 april 2018 en Memo van 8 november 2018, waarin – kort gezegd – staat dat er voor wooninitiatieven een gedoogconstructie (ten opzichte van de Regeling Subsidie AWBZ) bestond waarbij zorgkantoren accepteerden dat deze zorgaanbieders een vast maandbedrag bij deze budgethouders in rekening brachten. 3.7. Op 5 juni 2018 vond de eerste zittingsdag plaats in het kader van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) hield die dag het requisitoir, waarbij zij de strafeis tegen [eiser] bekend maakte. In het requisitoir stond ook: “ [eiser] was de centrale figuur: de leider en het brein van de organisatie. Hij heeft het frauduleus bedrijfsmodel bedacht en uitgevoerd bij zijn eigen ZVR, [stichting 2] . Hij stimuleerde en faciliteerde andere ZVR-en om dezelfde werkmethoden toe te passen. Zo was hij bijvoorbeeld nauw betrokken bij de oprichting van (…) [bedrijfsnaam] . “Zijn” stichting [stichting 1] verdiende daaraan.” en “Bij de bepaling van de strafeis in de zaak van [eiser] houden wij rekening met zijn bepalende en initiërende rol. Hij heeft het bedrijfsproces als zodanig bedacht, geïnitieerd en gefaciliteerd. We houden hem daarom verantwoordelijk voor het totale fraude die naar schatting ca. € 4 miljoen bedraagt. [eiser] is een invloedrijk man, zo blijkt uit het dossier. Zoals een goed oplichter betaamt, is hij charismatisch en welbespraakt. Hierdoor lijkt het hem steeds te lukken om recht te praten wat krom is. Ondanks het justitieel ingrijpen en de zware verdenkingen die er zijn, geniet hij nog het volle vertrouwen van vele personen om hem heen, waaronder het bestuur van [stichting 2] . Dat baart zorgen. De schade die [eiser] heeft aangebracht is enorm. Wij menen dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Tevens achten wij een beroepsverbod op zijn plaats voor de duur van 5 jaren teneinde te voorkomen dat hij in die periode (verder) werkzaam zal zijn in de zorgverlening, financiële verantwoording daaronder begrepen. Wij realiseren ons dat deze straffen een forse impact zullen hebben op hem en zijn gezin, echter gelet op de enorme schade die is aangericht en de weinig kritische houding die hij heeft over zijn eigen handelen, en het gebrek aan tegenspraak dat hij duldt of krijgt, achten wij een beroepsverbod passend en geboden.” 3.8. In de periode na de bekendwording van de beschuldigingen en de strafeis werden er regelmatig publicaties en nieuwsberichten hierover in (regionale) media gedaan. 3.9. Bij vonnis van 10 juli 2018 (hierna: het strafvonnis) is [eiser] door de rechtbank Overijssel (hierna: de strafrechter) vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. 3.9.1. De strafrechter heeft in het strafvonnis allereerst een aantal voorvragen behandeld met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM. Ter zake is het volgende in het strafvonnis opgenomen: “3.4.1 Het standpunt van de verdediging Sprake is van ernstige vormverzuimen. (…) dat informatie, die voor de beoordeling van de zaak essentieel is, door het Openbaar Ministerie niet aan het dossier is toegevoegd, waardoor deze informatie, die bij hem bekend zou moeten zijn, ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling om (al dan niet) tot vervolging over te gaan. De verdediging doelt op het ontbreken van indicatiebesluiten, zorgprofielen, bestuursrechtelijke jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk. Het recht van verdachte op een eerlijk proces is door de werkwijze van het Openbaar Ministerie in deze zaak op (…) grove wijze geschonden (…). 3.4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie (…) er geen sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte, aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (…). Het Openbaar Ministerie heeft betwist dat verdachte en beroep kan doen op een vermeende gedoogconstructie. (…) dat uit de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018 blijkt dat de desbetreffende afspraak op 20 mei 2012 – dus na tenlastegelegde periode – is gemaakt en dat uit niets blijkt dat het Openbaar Ministerie of de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) wetenschap hadden van deze afspraak. Ook indien sprake zou zijn van bestuurlijk een bestuurlijk gedogen, kan dat (…) nog niet leiden tot niet-ontvankelijkheid (…). |3.4.3 Het oordeel van de rechtbank (…). De rechtbank overweegt dat indien er inderdaad sprake zou zijn van een ‘gedoogconstructie’ dit ontlastend voor verdachte zou kunnen zijn (…) de stellingen van verdachte in ieder geval niet zonder meer naar het rijk der fabelen konden worden verwezen. (…). Ondanks dat de verdediging haar standpunt betreffende de ‘gedoogconstructie’ meerdere malen herhaald heeft, heeft het Openbaar Ministerie op geen enkel moment zelfstandig onderzoek gedaan naar de juistheid van dit standpunt, terwijl het voor het Openbaar Ministerie bekend moet zijn geweest dat wanneer dit standpunt juist zou zijn, dit grote gevolgen voor het vervolg van de strafzaak zou kunnen hebben. (…). Van het Openbaar Ministerie mag verwacht worden dat het een zo volledig mogelijk dossier presenteert met betrekking tot alle specifieke zaken. Het op meerdere fronten achterwege laten van nader onderzoek is (…) onbegrijpelijk en verwijtbaar. (…). De rechtbank is van oordeel dat het (niet) handelen van het Openbaar Ministerie zich niet verhoudt met zijn taak van de objectieve waarheidsvinding. Dit roept de vraag op of dat moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. Voor de beoordeling van die vraag dient te worden bezien of sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Bij de beoordeling van de vraag of verdachtes recht op een eerlijke behandeling is geschonden, moet (…) worden gekeken (…) naar het strafproces in zijn geheel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdediging ruimschoots onderzoekswensen heeft geformuleerd die grotendeels zijn ingewilligd, waardoor de rechtbank alsnog over een dossier beschikt waarin zowel belastende als ontlastend materiaal is opgenomen. Over het strafproces in zijn geheel kan daarom niet worden geconcludeerd dat het recht van verdachte op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. De conclusie moet zijn dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is gebleven in zijn recht op schadevergoeding.” 3.9.2. Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten is in het strafvonnis, voor zover relevant, als volgt overwogen: “ 4.6 Feit 2 en feit 5 – valsheid in geschrift [stichting 1] en [stichting 2] (…) Valsheid Niet in geding is dat een deel van de in de tenlastelegging genoemde facturen en verantwoordingsformulieren (…) zorgvormen, uren en totaalbedragen vermelden die niet één op één overeenstemmen met de daadwerkelijk verleende zorg. (…). Daarmee zijn die facturen en verantwoordingsformulieren technisch gezien (intellectueel) vals en valselijk opgemaakt door medewerkers van [stichting 1] en later [stichting 2] . (…). Oogmerk tot misleiding Noodzakelijk voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrift is dat [stichting 1] en [stichting 2] (…) het oogmerk tot misleiding van een derde hadden. (…). Het dossier is op dit punt echter verre van compleet. (…). Dit ontbreken van relevante informatie is ten dele gedurende de procedure gecorrigeerd. (…). De rechtbank is van oordeel dat gelet op de parlementaire geschiedenis, de uitvoeringspraktijk waaruit blijkt dat deze werkwijze inderdaad geaccepteerd werd door de zorgkantoren en de bestuurlijke jurisprudentie, welk samenstel van informatie ook nog ondersteund wordt door de Brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018, niet kan worden bewezen dat [stichting 1] het oogmerk had om de budgethouders of het zorgkantoor te misleiden. Ten aanzien van de budgethouders waarvan vaststaat dat zij geen ZZP hadden: (…). Er kan (…) niet worden vastgesteld dat de factuur (…) en het (mede) daarop gebaseerde verantwoordingsformulier vals zijn. (…). Uit de in het dossier aangetroffen bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid hoeveel zorg (…) is geleverd in de maand 2009, of waaruit die zorg bestond. Hierdoor is niet vast te stellen dat deze factuur vals is. Er resteert een groep budgethouders waarvan geen indicatie is overgelegd. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om ervoor te zorgen dat de rechtbank over een compleet dossier beschikte, inclusief de indicatiebesluiten. (…). Dat deze documenten van belang zouden kunnen zijn, had het Openbaar Ministerie kunnen en moeten weten, zeker gelet op het feit dat de verdediging reeds in een vroeg stadium en bij herhaling te kennen heeft gegeven dat de zorgzwaartebekostiging een essentieel onderdeel van haar verweer inhield. Nu deze wezenlijke informatie ontbreekt, kan de rechtbank voor deze budgethouders de relevante feiten en omstandigheden niet vaststellen en dus ook niet vaststellen of [stichting 1] en [stichting 2] het oogmerk hadden tot misleiding. Conclusie Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat [stichting 1] en [stichting 2] zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde valsheid in geschrift. 4.7 Feiten 1 en 4 – oplichting [stichting 1] en [stichting 2] (...) Om tot bewezenverklaring van oplichting te komen is vereist dat sprake is van “oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen”. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de valsheid is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is van wederrechtelijk handelen door [stichting 1] en [stichting 2] , laat staan dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat deze stichtingen het oogmerk hadden op wederrechtelijke bevoordeling. (…) 4.8 Feiten 3 en 6 – witwassen [stichting 1] en [stichting 2] (…) Om tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde (gewoonte)witwassen te komen is onder meer vereist dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat de gelden – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn van enig misdrijf. Gelet op de tekst van de tenlastelegging zou het moeten gaan om pgb-gelden afkomstig van valselijk opgemaakte facturen en verantwoordingsformulieren. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo dat hiermee wordt gedoeld op de onder 2 en 5 tenlastegelegde valsheid in geschrift. Uit het hiervoor overwogene blijkt echter al dat van deze strafbare feiten niet is gebleken. Zodoende kan ook niet worden bewezen dat [stichting 1] en [stichting 2] gelden afkomstig uit misdrijf hebben gebruikt voor onder meer de bedrijfsvoering. 4.9 Feit 7 – criminele organisatie (…) De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen door [stichting 1] en [stichting 2] niet is gebleken. Van het bestaan van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting , valsheid in geschrift en witwassen is eveneens niet gebleken. 4.10 Conclusie Uit het hiervoor overwogene blijkt dat niet kan worden bewezen dat [stichting 1] en [stichting 2] zich schuldig hebben gemaakt aan één van de in de tenlastelegging genoemde strafbare feiten. Van feitelijk leiding geven aan de tenlastegelegde strafbare feiten kan reeds daarom geen sprake zijn. Ook van medeplegen is niet gebleken. De rechtbank acht zodoende niet bewezen wat aan verdachte ten laste is gelegd, zodat zij hem zal vrijspreken.” 3.10. Op 10 augustus 2018 is [eiser] als directeur-bestuurder van de zorginstelling Stichting [stichting 3] (hierna: [stichting 3] ) door de Raad van Toezicht geschorst. Kort daarna is [eiser] als directeur-bestuurder afgetreden. Op 13 september 2018 is het faillissement van [stichting 3] uitgesproken. [eiser] is daarna niet meer als directeur-bestuurder van een zorginstelling aangenomen. Dit leidde ertoe dat [eiser] een eigen onderneming heeft opgericht. 3.11. Het OM heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Bij arrest van 26 mei 2021 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) is het OM, zonder dat in hoger beroep een inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden, onder vernietiging van het strafvonnis niet-ontvankelijk in de strafvervolging verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het handelen in strijd met de objectieve waarheidsvinding door eenzijdig opsporingsonderzoek en het achterwege laten van nader onderzoek. Het hof overweegt in het arrest, voor zover relevant, als volgt: “De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de (verdere) vervolging van de verdachte omdat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door het hoger beroep tegen de verdachte voort te zetten terwijl het (inmiddels) het hoger beroep tegen [stichting 2] , (…) en (…) heeft ingetrokken en de door de advocaat-generaal opgegeven redenen dit verschil in behandeling (…) niet rechtvaardigen. Daarbij komt dat mede vanwege de proceshouding van het Openbaar Ministerie sprake is van onherstelbare vormverzuimen waardoor het proces in zijn geheel niet eerlijk is. (…) Het hof is alles overziende van oordeel dat sprake is in rechtens relevant opzicht gelijke gevallen. Het betreft één opsporingsonderzoek waarvan de feiten en omstandigheden overeenkomen of ten minste sterk op elkaar lijken. Aan de verdachten is ten minste in essentie telkens hetzelfde ten laste gelegd in steeds dezelfde deelnemingsvarianten en zij zijn ook allemaal door de rechtbank om dezelfde redenen integraal vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft naar het oordeel van het hof niet genoegzaam kunnen onderbouwen waarom deze wezenlijke gelijke gevallen zo ongelijk zijn behandeld. Het hof komt tot dit oordeel tegen de achtergrond van de navolgende feiten en omstandigheden die de verdediging van de verdachten in eerste aanleg en hoger beroep hebben bemoeilijkt en die het hof mede van belang acht bij de beantwoording van de vraag of het voortzetten van de vervolging (on)verenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Eenzijdig opsporingsonderzoek en achterwege laten van nader onderzoek. (…) De rechtbank concludeerde al dat het (niet) handelen van het Openbaar Ministerie zich niet goed verhoudt met zijn taak van de objectieve waarheidsvinding. Het hof onderschrijft die conclusie. (…). Ondanks de overwegingen van de rechtbank die het uitblijven van nader onderzoek om het dossier te completeren al onbegrijpelijk en verwijtbaar noemde is het Openbaar Ministerie ook in hoger beroep niet op zijn handelswijze teruggekomen. (…). Naar het oordeel van het hof had het Openbaar Ministerie de door de zorgkantoren gedoogde uitvoeringspraktijk in een vroeg stadium bij het opsporingsonderzoek en haar beslissing om wel of niet tot (verdere) vervolging over te gaan moeten betrekken. Denkbaar is dat het onderzoek dan eerder zou zijn beëindigd of dat een andere beslissing over de (verdere) vervolging van de verdachten zou zijn genomen. Nu is sprake geweest van een zich lang voortslepend strafproces waarbij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, wat de verdere vervolging van verdachten extra belastend heeft gemaakt. Het onder deze omstandigheden met schending van het gelijkheidsbeginsel voortzetten van de vervolging van verdachte acht het hof onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde, wat ertoe leidt dat het Openbaar Ministerie onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in de strafvervolging wordt verklaard.” 3.12. Door de advocaat-generaal bij het resortpakket Arnhem-Leeuwarden is tegen het arrest een cassatieberoep ingesteld. Dit cassatieberoep is later ingetrokken. 3.13. Bij brief van 13 augustus 2021 heeft [eiser] de Staat (OM) aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van de strafzaak heeft geleden. De brief was ook bedoeld om de lopende verjaringstermijn voor het instellen van een schadevergoedingsvordering tegen de Staat te stuiten (hierna ook: de aansprakelijkstelling). 3.14. Op 4 januari 2022 heeft [eiser] bij het hof twee verzoeken tot schadevergoeding ingediend, één op grond van artikel 530 Wetboek van Strafvordering (Sv) en één op grond van artikel 533 Sv. Bij beschikking van 12 december 2022 heeft het hof toegekend een vergoeding van € 167.982,30 voor kosten van rechtsbijstand en € 5.500 voor tijdsverzuim, plus reis- en proceskosten. Bij beschikking van dezelfde datum heeft het hof een vergoeding toegekend van € 390 voor drie dagen inverzekeringstelling. 3.15. Bij brief van 24 maart 2023 heeft [eiser] de Staat een aanvulling op de aansprakelijkstelling doen toekomen en een specificatie van de door hem geleden en nog te lijden schade, door [eiser] (voorlopig) begroot op € 217.389. 3.16. Bij brief van 22 mei 2023 heeft de Staat aansprakelijkheid afgewezen. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de schadevordering is verjaard en dat daarom niet inhoudelijk wordt ingegaan op de door de Staat betwiste onrechtmatige overheidsdaad. 3.17. Bij brief van 19 juni 2023 is namens [eiser] op het verjaringsverweer gereageerd. Daarin is aangegeven dat verjaring niet aan de orde is en dat dit verweer schrijnend is gezien de schending van de zorgplicht van justitie tegenover [eiser] . Tevens is medegedeeld dat [eiser] zich vrij acht om het geschil aan de civiele rechter voor te leggen. 3.18. Bij dagvaarding van 11 december 2023 heeft [eiser] de Staat in rechte betrokken. 4Het geschilDe vorderingen 4.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de Staat (justitie) met het strafrechtelijke optreden tegen [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, meer specifiek door: a. [eiser] aan te merken als (hoofd)verdachte en hem ten onrechte aan te houden en te vervolgen;b. het niet wijzigen van het standpunt nadat de brief van Zorginstituut Nederland van 11 april 2018, die de onschuld van [eiser] bevestigde, in de strafzaak was ingebracht; c. het op de eerste zittingsdag neerzetten van [eiser] als hoofdverdachte en meesterbrein in een crimineel netwerk en fraudeur (voor het eerst op 5 juni 2018) en de daaromtrent gedane uitlatingen en het naar buiten brengen daarvan;d. het onmiddellijk instellen van hoger beroep na de vrijspraak van de rechtbank op 10 juli 2018; e. het nalaten van het tijdig en zorgvuldig doen van nader (zelfstandig) onderzoek voorafgaand aan (in eerste aanleg), dan wel na het instellen van het hoger beroep op 10 juli 2018 (zoals wel was aangekondigd in de appelschriftuur), en dit onderzoek uiteindelijk pas een aantal dagen voor de geplande, niet doorgegane inhoudelijk behandeling (in hoger beroep) in te brengen; en f. het strafproces onnodig lang te rekken, met name door het onverkort aantekenen van hoger beroep na de vrijspraak van de rechtbank en het instellen van een cassatieverzoek, en voor recht te verklaren dat de Staat gehouden is de schade die [eiser] als gevolg van het voorgaande heeft geleden te vergoeden; II. de Staat veroordeelt om binnen één week na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 419.978 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2021, dan wel 24 maart 2023, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn tot de dag van volledige betaling; III. de Staat gebiedt tot het binnen één week na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, verstrekken van een door de Staat getekende schriftelijke verklaring en tot het plaatsten van de rectificatie als geciteerd op pagina 30 van de dagvaarding in minimaal drie Nederlandse landelijke dagbladen, waaronder in ieder geval De Twentsche Courant Tubantia en Het Financieel Dagblad, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000 per dag(deel) dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 500.000, met veroordeling van de Staat in de (na)kosten van deze procedure, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop in deze zaak vonnis wordt gewezen tot de dag van volledige betaling. 4.2. [eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Ad I. 4.2.1. Het gehele optreden van het OM tegenover [eiser] in de strafzaak, meer specifiek voornoemde gedragingen a. t/m f, is zodanig onzorgvuldig geweest dat dit kwalificeert als onrechtmatig handelen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.