RECHTBANK Den Haag Team handel - voorzieningenrechter Zaaknummer: C/09/673915 / KG ZA 24-953 Vonnis in kort geding van 28 november 2024 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag, tegen [gedaagde] te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: C.M. Schouten te Den Haag. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 november 2024, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 24 september 2020 is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op € 2.615,- bruto, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Met ingang van 1 januari 2024 bedroeg de maandelijks door de man te betalen partneralimentatie € 3.013,90. 2.2. Bij verzoekschrift van 31 juli 2023 heeft de man de rechtbank verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen. 2.3. In 2023 heeft de man zijn eenmanszaak, waarin hij zich verhuurde als IT-specialist, omgezet in een B.V. ( [bedrijfsnaam 1] B.V.) met daarboven een holdingmaatschappij ( [bedrijfsnaam 2] B.V.). 2.4. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft de rechtbank de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van die datum bepaald op € 1.924,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. In de beschikking heeft de rechtbank de (aanvullende) behoefte van de vrouw berekend op € 1.924,- (bruto) per maand en de draagkracht van de man op € 2.930,- (bruto) per maand. Met betrekking tot de draagkracht van de man heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het volgende overwogen: “De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. De vrouw is bij haar berekeningen eerst uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2019 tot en met 2021 welk gemiddelde zij berekende op € 155.953,- en vervolgens op de door haar geprognosticeerde winst uit onderneming over het jaar 2023 ter hoogte van € 158.159,-. De man heeft in 2023 zijn eenmanszaak waarin hij software ontwikkelt omgezet in een besloten vennootschap en berekent zijn draagkracht aan de hand van een DGA-salaris van 60.000,-. De man stelt dat het resultaat van zijn onderneming sterk is gedaald. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank acht (de noodzaak van) de aanmerkelijke inkomensachteruitgang van de man niet overtuigend onderbouwd en zal met deze achteruitgang bij de berekening van de draagkracht geen rekening houden. De man heeft aangevoerd dat hij vanwege medische klachten het advies heeft gekregen om het qua werk rustiger aan te doen waardoor hij nu veel van zijn werk door ingehuurde krachten laat verrichten en het niet meer mogelijk is dezelfde omzetten te behalen. Uit de salarisspecificatie van de man van 2024 blijkt echter dat de man nog altijd fulltime werkt. Nu de man zijn verminderde arbeidsgeschiktheid ook op andere wijze niet overtuigend, bijvoorbeeld aan de hand van een recente verklaring van een BIG-geregistreerde behandelaar, heeft onderbouwd gaat de rechtbank aan dit argument voorbij. Ook het argument dat Al (kunstmatige intelligentie) een dreiging vormt voor zijn werk als software ontwikkelaar heeft de rechtbank, na gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, niet kunnen overtuigen. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk waarom de man zoveel minder inkomsten genereert dan voorheen. In de beschikking van (...) van 24 september 2020 is voor de berekening van de partneralimentatie uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van 134.033,- over de jaren 2017 tot en met 2019. De gemiddelde winst uit onderneming over deze jaren is nagenoeg gelijk aan het gemiddelde over de recentere jaren 2019 tot en met 2021. De rechtbank ziet daarom aanleiding om voor de draagkrachtberekening van de man aan te sluiten hij het (…) bij beschikking van 24 september 2020 vastgestelde gemiddelde van € 134.033,-. (...).” 2.5. De beschikking van 17 juli 2024 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.6. Bij verzoekschrift van 31 juli 2024 heeft de man de rechtbank verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, althans op een bedrag van € 273,- per maand of een lager bedrag. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. In deze verzoekschriftprocedure is nog geen mondelinge behandeling gepland. 2.7. Met ingang van 1 augustus 2024 is de man in loondienst getreden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 2.8. Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de advocaat van de man het door de vrouw ingeschakelde incassobureau NLAI verzocht om de executie te staken totdat onherroepelijk op het wijzigingsverzoek van de man is beslist. De vrouw heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. 2.9. De vrouw heeft uit hoofde van de beschikking van 17 juli 2024 ten laste van de man executoriaal beslag gelegd op zijn woning en onder ABNAMRO. Het beslag onder ABNAMRO heeft doel getroffen voor een bedrag van € 600,-. 2.10. Op 16 oktober 2024 heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 17 juli 2024. In deze procedure heeft hij op de voet van artikel 223 Rv een provisionele voorziening verzocht. De zitting bij het hof is (in zowel de hoofdzaak als de provisionele voorziening) gepland op 18 december 2024. 2.11. Op 28 oktober 2024 heeft de man [bedrijfsnaam 1] B.V. doen uitschrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [bedrijfsnaam 2] B.V. staat nog wel ingeschreven. 3Het geschil 3.1. De man vordert de vrouw te bevelen de tenuitvoerlegging van de van de beschikking van 17 juli 2024 te staken en gestaakt te houden totdat de beschikking in de bodemprocedure onherroepelijk is gewezen, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 3.2. De man legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In de beschikking van 17 juli 2024 is de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgegaan van een gemiddelde jaarinkomen van € 134.500,-. Het gemiddelde jaarinkomen van de man lag en ligt evenwel ver beneden dat bedrag. Verder heeft de rechtbank geen jusvergelijking gemaakt. Door de tenuitvoerlegging van de beschikking komt de man in financiële problemen, aangezien zijn maandinkomen € 4.570,- netto per maand (inclusief) IKB bedraagt en zijn hypotheeklasten € 2.039,-. De man verwacht dat de vrouw de door haar ontvangen bedragen zal uitgeven. Indien bodemrechter de partneralimentatie, al dan niet met terugwerkende kracht, op een lager bedrag vaststelt, is sprake van een restitutierisico. Gelet op de dreigende executie van de woning en het restitutierisico, heeft de man bij zijn vordering een spoedeisend belang. 3.3. De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De vordering van de man komt neer op de schorsing van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking. Aangezien de beslissing van het hof op het door de man ingestelde hoger beroep niet voor februari 2025 wordt verwacht (en de beslissing op het wijzigingsverzoek pas daarna), heeft de man in zoverre een spoedeisend belang. 4.2. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling moet worden nagekomen en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. 4.3. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag. 4.4. Het voorgaande brengt mee dat schorsing mogelijk is indien de man aannemelijk maakt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.