RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 19/7880 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , verzoekster I mede namens haar gezinsleden: [verzoeker 1] , V-nummer: [V-nummer 2] , verzoeker I [verzoekster 2] , V-nummer: [V-nummer 3] , verzoekster II [verzoekster 3] , V-nummer: [V-nummer 4] , verzoekster III [verzoeker 2] , V-nummer: [V-nummer 5] , verzoeker II tezamen te noemen: verzoekers (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 11 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de Afsluitingsregeling afgewezen. Bij verzoekschrift van 15 oktober 2019 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 13 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.