Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/3572 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres (gemachtigde: J.R.B.F. Hessels AA), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) (de aanslag) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2023 de aanslag verminderd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar partner [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en mr. drs. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is vanaf 1 april 2014 samen met haar partner [naam 1] (de partner) eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (de woning). De woning is gekocht voor een bedrag van € 473.946. 2. Ter financiering van de woning zijn eiseres en de partner twee leningsovereenkomsten aangegaan: Lenende partij Ingangsdatum Geleende som op 31 maart 2014 Rentevoet Lening 1 [bedrijfsnaam 1] 31 maart 2014 € 250.000 2,5%, vanaf 2015 2% Lening 2 [bedrijfsnaam 2] B.V. (B)* 22 oktober 2013 € 224.479,61 9,4% * Eiseres en de partner zijn de aandeelhouders van B. 3. In de periode 2014-2016 is de som van lening 2 een aantal keer verhoogd vanwege verbouwing, onderhoud en volledige aflossing van lening 1. De totale som van lening 2 bedraagt volgens het aflossingsschema van eiseres ultimo 2016 € 496.295,24. 4. Op 22 maart 2019 doen eiseres en de partner gezamenlijk aangifte IB/PVV 2018 (de aangifte). In de aangifte bedraagt het verzamelinkomen van eiseres € 59.512. Haar aandeel van het saldo eigen woning is in de aangifte als volgt berekend: Eigenwoningforfait: € 3.122 Minus rente: € 42.247 (rente 9,4%, eigenwoningschuld € 432.896) Saldo eigen woning: -/- € 39.125 Aandeel (31,14%): -/- € 12.186 5. Met dagtekening 11 februari 2021 legt verweerder de aanslag op, waarin hij – naast een correctie vanwege een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) – de aftrekbare rente in het saldo eigen woning corrigeert naar nihil, omdat volgens hem geen sprake is van een kwalificerende eigenwoningschuld. In de aanslag bedraagt het saldo eigen woning € 3.122. Het aandeel van eiseres (31,14%) is € 920. Daarbij heeft verweerder belastingrente in rekening gebracht voor een bedrag van € 27. 6. Eiseres overlegt in zowel de aanslag- als de bezwaarfase diverse documenten ter onderbouwing van de door haar voorgestane aftrekbare rente. Het betreffen: De op 31 maart 2014 ondertekende geldleningsovereenkomst tussen haar en de partner en B; een onderbouwing van de daarin gehanteerde rentevoet; een formulier opgaaf lening eigen woning ondertekend op 7 april 2014; een aflossingsschema; een overzicht van de rekening-courantmutaties tussen eiseres en de partner en B; de jaarrekening 2018 van B; een op 12 mei 2021 ondertekend addendum geldleningsovereenkomst. 7. Bij uitspraak op bezwaar berekent verweerder het aandeel van eiseres van het saldo eigen woning als volgt: Eigenwoningforfait: € 3.122 Minus rente: € 5.335 (rente 2,75%, eigenwoningschuld € 194.000) Saldo eigen woning: -/- € 2.213 Aandeel (31,14%): -/- € 690 De in aanmerking genomen schuld van € 194.000 kwalificeert volgens verweerder als bestaande eigenwoningschuld waarvan de rente voor aftrek in aanmerking komt gelet op artikel 10bis.1, derde lid, juncto artikel 10bis.9, eerste lid, van de Wet IB 2001. Het in aanmerking genomen rentepercentage van 2,75% is volgens verweerder zakelijk. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de belastingrente verminderd tot een bedrag van € 3. Geschil 8. In geschil is of verweerder terecht het saldo eigen woning heeft gecorrigeerd naar negatief € 2.213. Primair is in geschil of lening 2 als eigenwoningschuld kwalificeert zodat de daarover betaalde rente als aftrekbare rente in aanmerking kan worden genomen. Meer specifiek is in geschil of is voldaan aan de aflossingseis en of het door eiseres voorgestane rentepercentage van 9,4% zakelijk is. Subsidiair is in geschil of verweerder het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en/of verweerder voortvarend heeft gehandeld. Tot slot is de in rekening gebrachte belastingrente in geschil. De correctie van verweerder betreffende de uitkering van het UWV is tussen partijen niet in geschil. 9. Eiseres stelt primair dat lening 2 feitelijk voldoet aan alle voorwaarden van de eigenwoningschuld. Tussen eiseres en de partner enerzijds en B. anderzijds is namelijk afgesproken dat de lening lineair in 30 jaar zou worden afgelost vanaf 22 oktober 2013. Het rentepercentage van 9,4% is volgens eiseres zakelijk, omdat uit onderzoek blijkt dat de ING-bank een dergelijk rentepercentage hanteert voor leningen. Subsidiair stelt eiseres dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat er een ruim tijdsverloop zit tussen de eerste hoorzitting in mei 2021, het daarna opgestelde addendum en de uiteindelijke uitspraak op bezwaar in april 2023. En daarbij komt dat in de tussenliggende periode de aanslagen IB/PVV 2019 tot en met 2021 conform de aangiftes zijn opgelegd. Eiseres heeft verder ter zitting een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en gesteld dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld bij het doen van uitspraak op bezwaar. 10. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken. Hij stelt zich op het standpunt dat lening 2 niet kwalificeert als eigenwoningschuld, omdat de leningsovereenkomst niet voldoet aan de eisen die artikel 3.119a van de Wet IB 2001 hieraan stelt. Volgens verweerder is contractueel bezien namelijk niet voldaan aan de aflossingseis. Wel is volgens hem voor een deel van lening 2 sprake van een bestaande eigenwoningschuld voor een bedrag van € 194.000 wegens tijdige oversluiting door eiseres in de zin van art. 10bis.1, derde lid, van de Wet IB 2001. Een zakelijk rentepercentage op deze schuld kan volgens verweerder niet hoger zijn dan 2,75% gelet op de door eiseres in maart 2014 bij [bedrijfsnaam 1] afgesloten annuïtaire lening met een rentepercentage van 2,5% verhoogd met een opslag van 0,25% wegens het ontbreken van hypothecaire zekerheid. Beoordeling van het geschil Aflossingseis 11. Artikel 3.120 van de Wet IB 2001 bepaalt dat de aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning – onder meer – bestaan uit de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld. In artikel 3.119a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is opgenomen: 1. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige: die zijn aangegaan in verband met een eigen woning; ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c; ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan. (…) 12. De bewijslast dat sprake is van een eigenwoningschuld rust op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met wat zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot lening 2 aan alle voorwaarden van artikel 3.119a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is voldaan. Dat hieraan niet is voldaan, blijkt uit het feit dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.