← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:21915

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.45918 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 21 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
  2. Valideren van de handtekening
  3. Op verzoek van eiser heeft de rechtbank de digitale handtekening van de maatregel geverifieerd. De rechtbank stelt vast dat de digitale handtekening rechtsgeldig is. Datum van de maatregel
  4. Eiser voert aan dat de van bewaring onrechtmatig is, omdat de maatregel een dag te vroeg is opgelegd. Volgens eiser blijkt uit de digitale handtekening dat de maatregel op 20 november 2024 is opgelegd. Eiser zat op dat moment nog in strafrechtelijke detentie, en die zou eindigen op 21 november
  5. De minister mocht dus nog geen maatregel van bewaring opleggen.
  6. De rechtbank stelt vast dat de maatregel op 21 november 2024 is opgelegd. Dat de maatregel een dag eerder digitaal is ondertekend, betekent niet dat de maatregel op 20 november 2024 is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet. Beroepsgronden
  7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3a niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3a feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiser is Nederland in gereisd zonder geldig reisdocument. De rechtbank is van oordeel dat ook de lichte grond onder 4a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is omdat eiser geen paspoort heeft en dus niet in bezit is van een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb. Daarmee belemmert eiser de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat deze grond niet aan hem mag worden tegengeworpen, omdat er met een paspoort ook geen vertrekprocedure nodig zou zijn.
  9. De zware grond onder 3a en de lichte grond onder 4a zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
  10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hij voert daartoe aan dat het onvoldoende is dat de minister een algemeen rappel stuurt aan de Algerijnse autoriteiten, en dat de minister een presentatie in persoon had moeten plannen. Volgens eiser is er ook geen zicht op uitzetting naar Algerije.
  11. De rechtbank oordeelt – anders dan eiser betoogt – dat de minister voldoende voortvarend handelt. Op zitting heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat er een aanvraag voor een laisser-passez (lp) naar de Algerijnse autoriteiten is verstuurd. De lp- aanvraag loopt nog en de minister heeft op 28 oktober 2024 bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd. Niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden zijn waarom er specifiek op eiser had moeten gerappelleerd. Ook stelt de rechtbank vast dat er op 26 november 2024 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Het feit dat er geen presentatie in persoon is gepland, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Een presentatie in persoon kan alsnog plaatsvinden naar aanleiding van de lopende lp-aanvraag. Het is aan de Algerijnse autoriteiten om dit eventueel als voorwaarde te stellen. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat er geen zicht op uitzetting is. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat1 en dat aan de Algerijnse autoriteiten enige tijd mag worden gegund om toestemming voor de afgifte van een lp te verlenen. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
  12. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
  13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  15. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  16. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 09 december 2024 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.