Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-6454 (echtscheiding), FA RK 24-206 (verdeling) Zaaknummer: C/09/653313 (echtscheiding), C/09/659690 (verdeling) Datum beschikking: 18 oktober 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 4 september 2023 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H. Polat te [plaatsnaam 2] . Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 9 september 2024 van de vrouw, met bijlagen; - het F9-formulier van 10 september 2024 van de man, met bijlagen; - het F9-formulier van 11 september 2024 van de vrouw. Op 20 september 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, M. Erbek; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum] 2021 te [plaatsnaam 1] , Turkije. - De man heeft de Turkse nationaliteit en de vrouw heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. - Uit de Basisregistratie Personen volgt dat partijen ten tijde van hun huwelijk samenwoonden in [plaatsnaam 2] . Verzoek en verweer Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning. Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de man daarnaast om verdeling van de Peugeot met kenteken [kenteken 1] en een verklaring voor recht dat het TOZO-bedrijfskrediet een gemeenschapsschuld betreft, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De vrouw heeft ingestemd met de verzoeken van de man ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht. De vrouw heeft verweer gevoerd ten aanzien van de verdeling. Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.100,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans per datum beschikking, althans een zodanige bijdrage en ingangsdatum als de rechtbank juist acht; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij de vrouw verzoekt: de auto en de leaseschuld toe te delen aan de man, waarbij de man gehouden is de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen; dat de man gehouden is om de helft (€ 15.000,-) van het aan familieleden van de man geleende bedrag van € 30.000,- aan de vrouw te voldoen; de man te verplichten om in het kader van het door de man ontvangen bedrag van € 43.000,- aan letselschade uitkering van Unigarant inzage te geven in zijn bankafschriften over de periode 1 maart 2023 tot en met 4 september 2023, bij gebreke waarvan de man gehouden is om de helft van voornoemd bedrag (te weten: € 21.500,-) aan de vrouw te voldoen; dat partijen ieder de op zijn of haar naam staande bankrekeningen krijgt toebedeeld, onder verrekening bij helfte van het op deze bankrekeningen gedurende het huwelijk ontstane gemeenschappelijk vermogen; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Beide echtgenoten verzoeken de echtscheiding zodat de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen. Huurrecht Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 derde lid aanhef en sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam 2] . Omdat de woning gelegen is in Nederland, zal de rechtbank volgens Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling Partijen hebben overeenstemming over toedeling van het huurrecht aan de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de vrouw als alimentatiegerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie. Op grond van artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, is het Nederlands recht van toepassing, nu de gewone verblijfplaats van de vrouw als alimentatiegerechtigde in Nederland is. Behoefte De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man en de vrouw zijn feitelijk uit elkaar gegaan in het voorjaar van 2023, zodat de rechtbank deze periode als uitgangspunt zal nemen. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat haar inkomen over 2023 bruto € 13.187,- bedroeg. Haar netto besteedbaar inkomen (NBI) was daarmee € 1.084,- per maand. De rechtbank zal voor de berekening van de behoefte bij afwezigheid van gegevens over 2023 uitgaan van het inkomen van de man 2022. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2022 een ongeval heeft gehad. De man stelt dat hij hierdoor volledig arbeidsongeschikt is geraakt en de door hem ontvangen letselschade uitkering van € 20.000,- netto voor het jaar 2022 moet daarom als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de behoefte. Volgens de vrouw moet juist worden uitgegaan van een geschatte bruto winst uit onderneming van € 50.000,-, omdat de man wel degelijk heeft gewerkt. Zij heeft daarbij facturen en rekeningafschriften overgelegd, waaruit volgt dat over de periode oktober-december 2022 in totaal een bedrag van € 20.000,- is betaald voor verrichte werkzaamheden. Naar oordeel van de rechtbank kan hieruit echter niet worden afgeleid dat de man een winst uit onderneming van € 50.000,- heeft gegenereerd. Echter kan hier wel uit geconcludeerd worden dat de man, ondanks zijn standpunt, wel in staat is gebleken om in 2022 inkomen uit werk te verkrijgen. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een fictief inkomen van € 35.000,- bruto, zijnde het midden tussen hetgeen de man heeft gesteld en de vrouw heeft aangevoerd. Dit leidt tot een NBI aan de zijde van de man van € 2.447,-. De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 3.531,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 2.119,- netto per maand (60% van € 3.531,- per maand) in 2023. Geïndexeerd naar 2024 is de behoefte € 2.250,- netto per maand. Aanvullende behoefte Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.250,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht. Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat zij in 2024 een gemiddeld bruto-inkomen heeft van € 1.602,-, inclusief meer-uren en onregelmatigheidtoeslag bij een contract van zestien uur per week. Met de man is de rechtbank echter van oordeel dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij meer inkomen zal gaan genereren. De vrouw werkt op dit moment contractueel zestien uur per week in de kraamzorg. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij nog bezig is met een studie, en dat zij deze op korte termijn afrondt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw binnen een afzienbare periode meer uren zal kunnen gaan werken. Naar oordeel van de rechtbank mag van haar worden verwacht dat zij een bruto-inkomen van € 2.000,- per maand genereert. Dit correspondeert met een werkweek van 32 uur. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt echter ook dat zij regelmatig overwerkt of een extra toeslag ontvangt, zodat de vrouw dit bedrag naar verwachting met minder werkuren kan verdienen. Vermeerderd met 8% vakantiegeld, bedraagt het (fictieve) NBI van de vrouw € 2.068,- per maand. Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.250,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 182,- netto per maand. Dat is € 357,- bruto per maand. Draagkracht De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man in 2024 uit van een geschatte winst uit onderneming van € 50.000,- bruto per jaar, zoals door de vrouw gesteld op basis van de door haar overgelegde facturen en rekeningafschriften. Hoewel de man dit heeft betwist en heeft aangevoerd dat hij op dit moment in het geheel geen inkomsten heeft, acht de rechtbank dit niet aannemelijk, nu in ieder geval duidelijk is dat de man ook in 2022 – na het ongeval – inkomsten heeft gegenereerd. Het had op de weg van de man gelegen om inzicht te geven in de huidige financiële positie van zijn onderneming en zijn inkomsten hieruit. Nu de man dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw gestelde winst uit onderneming. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.356,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.065,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1270)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI en wordt de alimentatieplichtige geacht alle kosten van wonen uit te kunnen voldoen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 647,- per maand (60% x [3.356 – (0,3 x 3.356 + 1270)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.026,- per maand. De man kan hiermee volledig voorzien in de behoefte van de vrouw van € 357,- bruto per maand. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. Duur partneralimentatie Ten aanzien van de partneralimentatie merkt de rechtbank tot slot – ten overvloede – op dat de duur van de partneralimentatie in dit geval beperkt is. Op grond van artikel 1:157 lid 1 BW eindigt de verplichting tot partneralimentatie van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar. Nu partijen zijn gehuwd op [datum] 2021 en het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend op 4 september 2023, is de duur van de verplichting tot een bijdrage in het levensonderhoud beperkt tot maximaal om en nabij een jaar. Ongeacht de behoefte aan een bijdrage van de ene echtgenoot en de draagkracht van de andere echtgenoot op dat moment, moeten zij na het verstrijken van deze termijn beiden in hun eigen levensonderhoud voorzien. Afwikkeling huwelijksvermogensregime Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding van partijen, is de Nederlandse rechter ook bevoegd om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het echtscheidingsverzoek verband houden. Omdat partijen zijn gehuwd na 29 januari 2019 is – anders dan door de man aangevoerd – op het huwelijksvermogensstelsel van partijen de Verordening Huwelijksvermogensstelsel (Verordening (EU) 2016/1103) van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt. Op grond van artikel 26 lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel daarom beheerst door het recht van het land waar partijen na de huwelijkssluiting de eerste gewone verblijfplaats hadden. Dat is in dit geval Nederland, zodat het Nederlands recht van toepassing is. Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond. De rechtbank overweegt dat, nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen. Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 4 september 2023, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Omvang Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: de opgebouwde rechten in de financial lease van de Mercedes met kenteken [kenteken 2] ; de Peugeot met kenteken [kenteken 1] ; vorderingen op familieleden van de man; e letselschade-uitkering van € 43.000 door Unigarant B.V., gedaan op 15 maart 2023; banksaldi van verschillende bankrekeningen; een ontvangen TOZO-uitkering. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.