← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23031

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.18933 (beroep) NL24.18934 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1993, van Oegandese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. E.A.A. Charry), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Chamkh). Procesverloop Met het besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat zij niet wordt uitgezet voordat op het beroep is beslist. Eiseres heeft de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) verzocht de zaken af te doen op de stukken en toestemming gegeven voor het achterwege laten van een behandeling op zitting. Verweerder is hiermee akkoord gegaan. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten en de zaak niet op een zitting behandeld. Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
  2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
  3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving is neergelegd in de Dublinverordening. Verweerder neemt een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
  4. Eiseres heeft op 4 november 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) ingediend. Uit EU-VIS is gebleken dat eiseres op 28 augustus 2023 door België in het bezit is gesteld van een Schengenvisum dat geldig was tot 22 september
  5. Dit visum was minder dan zes maanden verlopen op het moment dat eiseres haar asielaanvraag indiende in Nederland. Eiseres heeft verklaard dat zij op 6 september 2023 met dit visum het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Op grond van artikel 12, tweede en vierde lid, van de Dublinverordening, is België daarom verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek van eiseres om internationale bescherming. Verweerder heeft op 15 januari 2024 de Belgische autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. Op 19 januari 2024 zijn de autoriteiten van België met dit verzoek tot overname akkoord gegaan. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
  6. Eiseres voert aan dat ten aanzien van België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe wijst eiseres op twee uitspraken van deze rechtbank. In beide uitspraken heeft de rechtbank – kortgezegd – geoordeeld dat verweerder ten aanzien van België niet langer zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan gelet op tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. 5.
  7. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 2024 heeft vastgesteld dat er weliswaar tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen in België, maar dat deze tekortkomingen niet van dusdanige aard zijn dat gesproken kan worden van fundamentele systeemfouten. Deze Afdelingsuitspraak is van een latere datum dan de door eiseres aangehaalde uitspraken. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat België zich aan haar internationale verplichtingen houdt zoals die voortvloeien uit het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het recht van de Europese Unie. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat desondanks in haar geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Nu eiseres hier geen nader standpunt over heeft ingenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ervanuit mag gaan dat België zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Aangifte van mensenhandel
  8. Eiseres voert aan dat zij in België is gedwongen tot prostitutie. Omdat zij hoogzwanger en ziek was, heeft zij hiervan in België geen aangifte kunnen doen. Eiseres is echter inmiddels bezig met het doen van aangifte bij de politie in Heerhugowaard. Ook vreest eiseres dat zij in België de mannen die haar tot prostitutie hebben gedwongen weer tegen zal komen. Op grond hiervan moet verweerder haar aanvraag alsnog in behandeling nemen. 6.
  9. Voor zover eiseres hiermee bedoelt dat verweerder haar aanvraag in behandeling moet nemen omwille van haar aangifte, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder verleent ambtshalve een verblijfsvergunning op humanitaire gronden aan een vreemdeling wiens aanvraag op grond van de Dublinverordening niet in behandeling is genomen, als de vreemdeling slachtoffer-aangever is van mensenhandel én het Openbaar Ministerie heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. Nu niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk aangifte heeft gedaan en het Openbaar Ministerie niet heeft bericht dat haar aanwezigheid noodzakelijk is, komt eiseres op grond hiervan niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. 6.
  10. Voor zover eiseres met deze grond een beroep doet op artikel 17 van de Dublinverordening, overweegt de rechtbank als volgt. Een lidstaat kan op grond van artikel 17 van de Dublinverordening besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Verweerder maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid.De rechtbank moet dit daarom ook terughoudend toetsen. Verweerder doet dit in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 6.
  11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die in de weg staan aan haar overdracht aan België. Zoals onder 6.1 al is overwogen, is niet gebleken dat eiseres daadwerkelijk aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Daarnaast is ook niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is voor deze aangifte, nu de gedwongen prostitutie van eiseres in België heeft plaatsgevonden. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er vanuit gaan dat eiseres zich in België tot de autoriteiten kan wenden voor het doen van aangifte. De rechtbank begrijpt verder dat eiseres bang is haar misbruikers in België weer tegen te komen, maar is met verweerder van oordeel dat dit onvoldoende is om te spreken van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiseres kan zich immers voor bescherming wenden tot de Belgische autoriteiten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft.
  13. Omdat bij deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
  14. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.18933: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.18934: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verordening EU/604/
  15. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  16. Visuminformatiesysteem. Uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 20 februari 2023, ECLI:RBDHA:2023:1853 en uitspraak van zittingsplaats Roermond van 29 november 2023, ECLI:RBDHA:2023:
  17. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:
  18. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Dit volgt uit paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire
  19. Dit volgt uit paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire
  20. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 17 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7795, onder 8.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.