← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23044

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5280 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.H. Hekman), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 18 juli 2023 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning verblijf en arbeid. Met het besluit van 13 september 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker op 25 september 2023 bezwaar gemaakt. Met het besluit van 16 januari 2024 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen op 12 februari 2024 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het kenmerk NL24.

  1. Verzoeker heeft op 12 februari 2024 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Overwegingen
  2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom.
  3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening (hierna: verzoek) indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In dit geval is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
  4. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  5. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.2
  6. De rechtbank heeft verzoeker op 17 februari 2024 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 20 februari 2024 om 11:36 uur is bezorgd bij het kantoor van de gemachtigde van verzoeker. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
  7. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.3 Conclusie en gevolgen
  8. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier. 2 Artikel 8:82, derde lid en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. 3 artikel 8:83, derde lid, van de Awb. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 augustus 2024 Rechtsmiddel? Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.