← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23099

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48999 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. den Ouden), en de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: S.H.F. Pols). Procesverloop De minister heeft op 11 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 2 oktober 2024 (in de zaak NL24.36106) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 29 september 2024 rechtmatig was. De minister heeft de rechtbank op 9 december 2024 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, alsmede een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 december 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen

  1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit heeft en is geboren op [1991] .
  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Zicht op uitzetting en voortvarendheid
  3. De minister heeft op 13 december 2024 bericht dat eiser op 21 december 2024 met escorte en medische begeleiding zal worden uitgezet naar Algerije. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er zicht op uitzetting is en dat de minister voldoende voortvarend aan die uitzetting werkt. Lichter middel/belangenafweging
  4. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel blijkt dat het risico op onttrekking onverminderd aanwezig is. In de medische toestand van eiser heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. De zorg in het detentiecentrum is immers gelijkwaardig aan de zorg in een vrije maatschappij. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
  5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  6. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is. Hieruit vloeit voort dat er geen aanleiding is om een schadevergoeding toe te kennen of een proceskostenveroordeling uit te spreken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 december 2024 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.