Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-8345 (echtscheiding) FA RK 24-6180 (verdeling) Zaaknummer: C/09/656956 (echtscheiding) C/09/671637 (verdeling) Datum beschikking: 31 december 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 10 november 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.T. Wernsen te Voorburg. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, feitelijk verblijvende in Tsjaad, advocaat: mr. E. Leentjes te Groningen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; de brief van 14 december 2023 van de vrouw, met bijlage; de brief van 12 februari 2024 van de vrouw, met bijlagen; het verweerschrift; - de brief van 22 maart 2024 van de vrouw, met bijlagen; - de brief van 22 november 2024 van de zijde van de man, met bijlagen; - het verweer tegen het zelfstandige verzoek; - de brief 29 november 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlagen; - de brief van 2 december 2024 van de zijde van de man, met bijlagen; - de brief van 3 december 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlagen. De minderjarigen [kind 1] en [kind 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt. Op 3 december 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk. F. Klunder, de advocaat van de man en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad). Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de man niet verschenen. Door de advocaat van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2007 te [plaats] (Rwanda). - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats 1] , Rwanda, - [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] , Rwanda. - De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw. - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. - De ouders en de kinderen hebben de Rwandese nationaliteit. - Deze rechtbank heeft op 22 november 2024 de verzoeken van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen. Verzoek en verweer Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat de man gehouden is de volgende stukken te overleggen: zijn salarisspecificaties over 2023, zijn belastingaangifte over 2021, 2022 en 2023, zijn bankafschriften (van genoemde bankrekeningen A, B, C en D over de periode 1 juni 2023 tot en met heden, met vermelding van het huidige saldo), zijn salarisspecificaties over de maanden januari 2024 tot en met heden; - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat als de man in het buitenland werkt de kinderen bij de man zullen verblijven: - tijdens de kerstvakantie en de voorjaarsvakantie (na het eerste trimester en na het tweede trimester); - tijdens de zomervakantie, om het jaar, te weten ieder even jaar; - tijdens de weekenden wanneer de vader in Nederland is, waarbij er geldt dat de man steeds minimaal één maand van tevoren aan de vrouw laten weten wanneer hij in Nederland zal zijn, de ouder bij wie de kinderen verblijven ervoor zal zorgen dat de kinderen naar de andere ouder toe reizen en waarbij geldt dat wanneer één van de ouders in het buitenland verblijft, deze ouder de kosten van het reizen naar deze ouder en het reizen terug naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen voor zijn/haar kosten zal nemen; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat als de man in Nederland woont en werkt de kinderen bij hem zullen verblijven: - om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school; - tijdens de helft van de feestdagen en schoolvakanties; waarbij geldt dat de ouder waarbij de kinderen verblijven ervoor zal zorgen dat de kinderen naar de andere ouder toe reizen (binnen Nederland) en waarbij geldt dat wanneer één van de ouders in het buitenland verblijft, deze ouder de kosten van het reizen naar deze ouder en het reizen terug naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen voor zijn/haar kosten zal nemen; - vaststelling van kinderalimentatie van € 1.000,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen steeds voor de eerste dag van de maand; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de man het recht heeft de kinderen te ontvangen in de periodes dat hij in Nederland verblijft, voor het geval de man in Nederland woont te bepalen dat de kinderen om en om twee weken bij hem verblijven, voor het geval de man in het buitenland woont te bepalen dat de kinderen ieder vakantie bij hem verblijven, alsmede op de momenten dat hij Nederland bezoekt; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man onder de nummers 27 tot en met 57; - vaststelling van door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van € 2.207,- per maand; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer tegen het door de man verzochte, die hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was, en de vrouw daar nog verblijft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 a onder ii van de Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) rechtsmacht toe. De man stelt in de stukken dat het Nederlands recht niet van toepassing is, maar het Rwandees recht. Op de zitting heeft de advocaat van de man dit standpunt losgelaten en stemt ermee in dat de Nederlandse rechtbank haar eigen recht toepast. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Ontvankelijkheid Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen omdat het partijen niet gelukt is om op alle punten ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen. Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man betwist dat sprake is van een duurzame ontwrichting en dat dit tot een echtscheiding zou kunnen leiden. Voor de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dit staat er dan ook niet aan in de weg om de echtscheiding uit te spreken. Pensioenverweer De man heeft in de avond voorafgaand aan de zitting voor het eerst een pensioenverweer opgeworpen. De man stelt dat de echtscheiding niet uitgesproken kan worden alvorens aan hem op grond van artikel 1:153 lid 1 BW een billijke vergoeding wordt toegekend, ter compensatie van het verlies of de ernstige vermindering van zijn aanspraak op bijzonder partnerpensioen ingeval van het vooroverlijden van de vrouw. Hij voert daartoe het volgende aan. De vrouw is werkzaam bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, een aan de Verenigde Naties (VN) gelieerde organisatie. De pensioenopbouw van de vrouw valt onder de Regulations, Rules and Pension Adjustment System of the United Nations Joint Staff Pension Fund (hierna: VN-pensioenreglement). Op basis van de drie laatste salarisstroken van de vrouw stelt de man dat de vrouw een pensioengevend loon van USD 210.327,- heeft. Indien partijen gehuwd blijven en ingeval van vooroverlijden van de vrouw behoudt de man zijn aanspraak op dit bijzonder partnerpensioen (artikel 34 VN-pensioenreglement). Na de echtscheiding van partijen en ingeval van vooroverlijden van de vrouw na vijftien jaar na de echtscheiding heeft de man hier geen recht meer op, tenzij de vrouw op dat moment nog alimentatieplichtig is voor de man (artikel 35bis VN-pensioenreglement). Gezien de leeftijd van de vrouw stelt de man dat het niet onwaarschijnlijk is dat zij niet komt te overlijden binnen vijftien jaar na de echtscheiding en dat het daarnaast onwaarschijnlijk is dat de vrouw dan nog alimentatieplichtig zal zijn voor de man. Bovendien kan volgens de man niet uitgesloten worden dat de vrouw na de echtscheiding opnieuw zal trouwen, met als gevolg dat de man, ingeval van vooroverlijden van de vrouw, op grond van artikel 35bis onder c VN-pensioenreglement het partnerpensioen met een ander zal moeten delen, naar rato van de duur van de respectievelijke huwelijken. De man betwist daarnaast dat voldaan is aan de twee uitzonderingen onder lid 2. Hij kan nooit tot zoveel pensioenopbouw komen als de vrouw met een pensioengevend loon van USD 210.327,-. Verder betwist de man de beschuldigingen van de vrouw en stelt juist dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in grote mate aan de vrouw te wijten is. De man verzoekt de procedure aan te houden om de vrouw een termijn te geven om een billijke voorziening te treffen. De vrouw stelt primair dat de rechtbank het pensioenverweer van de man moet afwijzen, dan wel dat de vrouw nog een termijn gegeven moet worden om zich hierover nader uit te laten. Volgens de vrouw staat niet vast dat de man aanspraak kan maken op een uitkering uit bijzonder partnerpensioen c.q. nabestaandenpensioen indien de vrouw komt te overlijden binnen het huwelijk van partijen. Dit heeft de man niet aangetoond. Verder stelt de vrouw dat, indien zij na vijftien jaar na de echtscheiding komt te overlijden, de man dan vijftien jaar of langer de tijd heeft gehad om ervoor te zorgen dat hij die uitkering uit het nabestaandenpensioen niet meer nodig heeft. Ingeval de vrouw binnen vijftien jaar komt te overlijden, zal de hypothetische aanspraak die de man heeft op een uitkering uit nabestaandenpensioen niet hoog zijn, gezien de vrouw nog niet lang heeft ingelegd in deze pensioenpot. De hypothetische aanspraak die de man dus mogelijk heeft op nabestaandenpensioen van de vrouw zou dus niet in ernstige mate verminderen of teloorgaan. De vrouw voert daarnaast aan dat voldaan is aan de uitzonderingen onder lid 2 van artikel 1:153 BW. Ten eerste kan van de man redelijkerwijs verwacht worden dat hij ingeval van vooroverlijden van de vrouw zelf voldoende voorzieningen kan treffen. De vrouw stelt dat de man onvoldoende openheid van zaken van zijn volledige inkomen en vermogen heeft gegeven. Hij heeft enkel een arbeidscontract overgelegd en geen loonstroken, waarbij uit niets volgt wat hij verder aan inkomen uit verhuur of vermogen genereert of hoeveel pensioen hij tot nu toe zelf heeft opgebouwd. Op basis van zijn huidige inkomen uit zijn dienstverband, zijn eigen opgebouwde pensioen, zijn inkomsten uit vermogen in Rwanda en elders en zijn leeftijd en verdiencapaciteit kan van hem redelijkerwijs verwacht worden dat hij zelf voorzieningen kan treffen. Daarnaast stelt de vrouw dat voldaan is aan de tweede uitzondering, te weten dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is. De vrouw stelt dat de man financieel niet bijdraagt en met de vrouw het gesprek hierover niet wil aangaan. Daarnaast voert zij in de stukken aan en heeft zij op de zitting aangegeven dat de man haar heeft verkracht tijdens het huwelijk. Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.