← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23390

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/1276 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A. Alam-Khan), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigde: mr. [naam] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een tweetal private schulden van eiseres te compenseren. 1.
  2. Met het primaire besluit van 2 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres te compenseren. Met het bestreden besluit van 9 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, P. Frimpong, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  5. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie of overname van hun private geldschulden als die voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). 2.
  6. Eiseres heeft verzocht om compensatie van haar private schulden bij Kedin en Tinka B.V. (Wehkamp). De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden niet worden gecompenseerd, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht. 2.
  7. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hij stelt dat de schulden van eiseres niet voor compensatie in aanmerking komen. De schulden voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, in combinatie met artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht. Eiseres is het hier niet mee eens. Wat vindt eiseres in beroep?
  8. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is, omdat geen sprake is geweest van deugdelijk en zorgvuldig onderzoek. Wat betreft de schuld bij Kedin merkt eiseres op dat hoewel deze schuld voor 31 december 2005 is ontstaan, de schuld reeds in 2018 al opeisbaar was, dus voor 1 juni
  9. Juist omdat de hoofdsom van de schuld opeisbaar was geworden, heeft zij een regeling getroffen om de schuld maandelijks af te lossen. Ten aanzien van de schuld aan Tinka B.V. (Wehkamp) merkt eiseres op dat de eerste aflossing op 19 april 2004 plaatsvond, niet al te ver voor 31 december
  10. Het ontgaat eiseres volledig waarom zij volgens verweerder niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Er blijkt nergens uit de wet dat de voorwaarden genoemd in artikel 4.1, van de Wht, cumulatief zijn en dat daarom aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Daarnaast zijn zowel Kedin als Tinka B.V. beide rechtspersonen die in de hoedanigheid als bedrijven rechtshandelingen zijn aangegaan met eiseres. Uit deze rechtshandelingen zijn schulden ontstaan die door verweerder moeten worden overgenomen, gelet op artikel 4.1, derde lid, van de Wht. Verder vindt zij dat haar schuld bij de ING en bij haar broer wel betrokken moeten worden in deze procedure. Daarnaast beroept eiseres zich op de hardheidsclausule. De eis dat er voor een beroep op de hardheidsclausule sprake moet zijn van een bijzondere omstandigheid acht zij in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar de uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Noord-Nederland. Wat zijn de regels?
  11. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze: - is ontstaan na 31 december 2005 (sub a); - vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en - niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c). 4.
  12. Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. 4.
  13. Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  14. De rechtbank stelt voorop, anders dan eiseres stelt, dat onderhavige procedure enkel ziet op de schulden van eiseres bij Kedin en Tinka B.V. (Wehkamp). De omvang van het geding wordt in de eerste plaats begrensd door het besluit waartegen beroep is ingesteld. De bestuursrechter kan voor de beoordeling van dat besluit niet treden buiten de reikwijdte en de strekking die het besluit heeft of had behoren te hebben. Dit betekent dat de rechtbank alleen mag oordelen over het bestreden besluit en gedeelten daarvan. In dit geval wordt de omvang van het geding begrensd door het bestreden besluit van 9 januari
  15. Dit besluit is genomen naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit van 2 augustus
  16. Met het primaire besluit is enkel beslist op de schulden van Kedin en Tinka B.V. (Wehkamp). De andere door eiseres genoemde schulden vallen hier dus niet onder. 5.
  17. De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de dwingend geformuleerde vereisten van artikel 4.
  18. van de Wht. Deze vereisten zijn, anders dan eiseres stelt, cumulatief geformuleerd. Alleen wanneer aan alle vereisten is voldaan, komt de schuld voor overname in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schulden bij Kedin en Tinka B.V. (Wehkamp) terecht niet heeft gecompenseerd. 5.
  19. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schuld van eiseres aan Kedin is ontstaan na 31 december
  20. De schuld aan Kedin betreft een doorlopend krediet. Een doorlopend krediet kan volledig worden opgeëist als tenminste twee maandbedragen niet zijn betaald en eiseres in gebreke is gesteld door de schuldeiser. Het krediet is bij BKR geregistreerd op 19 september
  21. De eerste aflossing op het doorlopend krediet heeft plaatsgevonden op 30 september
  22. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het doorlopend krediet aldus voor die datum is afgesloten en deze dus niet na 31 december 2005 is ontstaan. Daarnaast is bij de terugbetaling van het doorlopend krediet niet gebleken van betalingsachterstanden. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoofdsom dus ook niet opeisbaar geworden voor 1 juni
  23. 5.
  24. De schuld van eiseres aan Tinka B.V. (Wehkamp) betreft eveneens een kredietovereenkomst. Ook van deze schuld is niet komen vast te staan dat deze is ontstaan na 31 december
  25. Uit het dossier blijkt dat de eerste aflossing van de schuld heeft plaatsgevonden op 19 april
  26. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de datum van de eerste aflossing er op duidt dat het doorlopend krediet voor deze datum moet zijn afgesloten. Dat de schuld (pas) op 27 december 2006 is geregistreerd bij het BKR doet hier niet aan af. Verder is niet gebleken dat de schuld opeisbaar is geweest voor 1 juni
  27. Zo heeft eiseres de reguliere maandelijkse termijnen steeds op tijd betaald en is er geen sprake geweest van achterstanden. 5.
  28. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De regeling voor het overnemen van private schulden is bedoeld om gedupeerde ouders zo veel mogelijk de kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. Verder is bewust gekozen om alleen private schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005 voor overname of betaling in aanmerking te laten komen. Hiermee wordt aangesloten bij de datum waarop het huidige toeslagenstelsel is geïntroduceerd. De rechtbank wijst er daarbij op, zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor eiseres heeft, dat zij in de relevante periode niet kampte met de incassomaatregelen waar andere ouders met private schulden wel mee kampten. Voor deze laatste groep is deze regeling bedoeld. Overigens worden hun schulden dan ook niet helemaal overgenomen, maar alleen het opeisbare deel van de schuld. De regeling ziet dus niet op een situatie zoals die van eiseres, waarbij geen sprake is van een schuld die is ontstaan na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. 5.
  29. Eiseres kan zich niet voorstellen dat de wetgever de eis dat een al betaalde schuld alleen voor overname in aanmerking komt als aan de voorwaarden in artikel 4.1, tweede lid Wht jo. 2.7 en 4.3, derde lid Wht. volledig en bewust heeft verdisconteerd bij de totstandkoming van de wet. Voor zover eiseres hiermee betoogt dat deze vereisten voor compensatie van een private schuld uit artikel 4.1, van de Wht buiten toepassing moeten worden gelaten omdat de toepassing daarvan in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, slaagt gelet op het voorgaande niet. Omdat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 4.1 van de Wht zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, dat die toepassing in het voorliggende geval achterwege zou moeten blijven. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland maken voorgaand oordeel niet anders. 5.
  30. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat de schulden zijn ontstaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is een omstandigheid die de wetgever heeft meegenomen bij de totstandkoming van de Wht. Het uitgangspunt van de Wht is bovendien in dit kader niet het herstellen van de in het verleden geleden schade, maar toeslagenouders zoveel als mogelijk de kans te bieden om een nieuwe start te maken, vrij van incassomaatregelen. Dat daarmee niet alle door de toeslagenaffaire veroorzaakte (financiële) problemen van toeslagenouders zijn opgelost, is door de wetgever dan ook onder ogen gezien. Dat eiseres in een zodanig problematische of schrijnende situatie verkeert die de wetgever niet heeft voorzien, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres, maar naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van eiseres onvoldoende schrijnend om tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding te kunnen geven. Conclusie en gevolgen
  31. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober
  32. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen. ECLI:NL:RBAMS:2024:
  33. ECLI:NL:RBNNE:2024:
  34. Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  35. Artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wht. In de zin van artikel 4.2, tweede lid, onderdeel b, in combinatie met artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht. Artikel 4.1, tweede lid, onder a, van de Wht. In de zin van artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, in combinatie met artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p.
  36. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 43 en
  37. Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:
  38. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz.
  39. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 44.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.