← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23399

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.36854 (beroep) NL24.36855 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2003, van Syrische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij tijdens de beroepsprocedure niet uit Nederland gezet mag worden. 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 20 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  3. Eiser heeft op 21 september 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Hannani als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder. Ook waren drie broers van eiser aanwezig. Overwegingen
  5. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Besluitvorming
  7. Eiser heeft op 13 april 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het besluit van 20 september 2024 niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Bulgarije verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser op 6 februari 2024 illegaal via Bulgarije het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Deze illegale inreis vond plaats binnen een termijn van twaalf maanden voor het verzoek van eiser om internationale bescherming in Nederland. Daarom heeft Nederland op 27 mei 2024 de autoriteiten van Bulgarije verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Op 3 juni 2024 zijn de autoriteiten van Bulgarije hiermee akkoord gegaan. Onbevoegd genomen besluit
  8. Volgens eiser is het bestreden besluit onbevoegd genomen. Per 2 juli 2024 is namelijk de minister voor Asiel en Migratie de bevoegde beslissingsautoriteit, terwijl in het bestreden besluit staat vermeld dat het besluit is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. 5.
  9. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 20 september 2024 ten onrechte is genomen uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat verweerder het besluit voor zijn rekening neemt. Voorts is de beschikking ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Claimverzoek
  10. Verder voert eiser aan dat het claimverzoek, gericht aan de Bulgaarse autoriteiten, ten onrechte niet vermeldt dat eiser drie broers heeft die met asielvergunning rechtmatig in Nederland verblijven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Deze omstandigheid is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of Bulgarije of op grond van dit artikel verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank is daarom van oordeel dat het claimverzoek ook zonder het vermelden van de broers zorgvuldig tot stand is gekomen. Standaardvoornemen
  11. Daarnaast stelt eiser dat verweerder in het voornemen onvoldoende is ingegaan op de individuele aspecten van de zaak. Eiser doelt hier met name op de ernstige mishandelingen door de Bulgaarse autoriteiten. Volgens eiser moeten de overwegingen van verweerder met betrekking tot artikel 17 van de Dublinverordening kenbaar zijn. Er moet aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kunnen worden getoetst. Eiser wijst ook op artikel 39 van de Vw, dat een gemotiveerd voornemen vereist. Daarnaast houdt de verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023 geen stand. Uit deze uitspraak volgt immers niet dat in iedere zaak een standaardvoornemen volstaat. Bovendien miskent verweerder dat na de zienswijze van eiser op grond van artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een nieuw voornemen had moeten worden uitgebracht, zodat eiser alsnog in de bestuurlijke fase op verweerders argumenten had kunnen reageren. Op de zitting heeft eiser de rechtbank in dit kader gewezen op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 december 2023 en een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 augustus
  12. 7.
  13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat verweerder geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Het voornemen bevat zodoende alle dragende overwegingen en daarmee was verweerder ook niet gehouden na het uitreiken van het voornemen een nieuw voornemen uit te brengen. De omstandigheid dat verweerder daarbij gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen maakt het vorenstaande niet anders. Eiser heeft door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren. Verweerder heeft vervolgens alle argumenten uit de zienswijze en de verklaringen van eiser in het Dublingehoor betrokken in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is deze handelswijze in deze zaak niet onzorgvuldig. Het beroep van eiser op het arrest van 30 november 2023 en de uitspraak van 7 december 2023 maakt dit niet anders. 7.
  14. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 augustus 2024 slaagt evenmin. De voornemenprocedure voor Dublinzaken is namelijk niet gelijk aan de voornemenprocedure voor asielzaken. Uit artikel 3.109c, eerste lid, van het Vb volgt namelijk dat de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vb niet van toepassing zijn indien de procedure een buitenbehandelingstelling in het kader van de Dublinverordening betreft, omdat de ratio achter de uitsluiting van deze artikelen is namelijk dat de Dublinprocedure anders is dan de asielprocedure. De ratio achter de uitsluiting van de artikelen is dat de Dublinprocedure een andere procedure is dan de asielprocedure. Het betreft dan ook een buitenbehandelingstelling en geen afwijzing van een aanvraag. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  15. Verder meent eiser dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op de mishandelingen die hij aldaar heeft ondergaan. Eiser is slachtoffer geworden van een pushback waarbij hij door honden is aangevallen. Ook is eiser bij de tweede inreis op onrechtmatige wijze gedetineerd, als een beest behandeld en had hij geen toegang tot rechtshulp. Deze omstandigheden moeten worden gekwalificeerd als een inbreuk op menselijke waardigheid en integriteit, en naar mening van eiser is deze inbreuk zo ernstig dat de overdracht op grond van de Dublinverordening hierdoor moet worden verboden. Eiser stelt dat verweerder de verklaringen van hem over zijn ervaringen in Bulgarije op geloofwaardigheid moet beoordelen en wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling. Naar mening van eiser is verweerder niet op alle door hem aangedragen verklaringen en omstandigheden ingegaan, zijn deze niet kenbaar in onderlinge samenhang gewogen en is daardoor de beslissing van verweerder niet deugdelijk gemotiveerd. 8.
  16. De rechtbank overweegt dat verweerder er in het algemeen op mag vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening – waaronder ook Bulgarije – hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Bulgarije in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Bulgarije een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo. 8.
  17. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In deze uitspraken zijn de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. De rechtbank begrijpt dat de dat de gebeurtenissen die eiser stelt te hebben meegemaakt afbreuk doen aan zijn vertrouwen in de Bulgaarse autoriteiten. Dat neemt niet weg dat de aangevoerde omstandigheden niet maken dat de asielprocedure in Bulgarije een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Bulgarije niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Bulgarije het overnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser (weer) in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17 van de Dublinverordening
  18. Tot slot meent eiser dat verweerder in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor zijn asielverzoek aan zich had moet trekken. Volgens eiser heeft verweerder hiernaar feitelijk niet of nauwelijks onderzoek verricht. Eiser wijst erop dat hij inmiddels al bijna een half jaar in Nederland verblijft, terwijl verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan naar de band die eiser inmiddels heeft opgebouwd met zijn drie in Nederland verblijvende broers. 9.
  19. Verweerder heeft gezien het voorgaande terecht geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken. De hier in Nederland verblijvende broers alsmede de omstandigheden in Bulgarije (de moeilijke reis vol ontberingen en de onmenselijke behandeling) heeft verweerder uitdrukkelijk betrokken in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. De persoonlijke omstandigheden, waaronder de pushbacks en de mishandelingen die eiser stelt te hebben ondergaan, heeft verweerder ook beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin. Conclusie en gevolgen
  20. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.
  21. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
  22. Vanwege het onder 5.
  23. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.625,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.36854, - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.36855, - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken, - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.625,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw)
  24. Verordening (EU) nr. 604/
  25. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2007:AZ
  26. Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  27. C‑228/21, ECLI:EU:C:2023:
  28. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  29. NL24.
  30. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:
  31. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  32. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:
  33. Zie verder de uitspraken van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, en van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2977.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.