RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL24.14047 (beroep) en NL24.14050 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingzaken en de voorzieningenrechter van 11 december 2024 in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1990, van Ghanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding 1.
- Met het besluit van 22 maart 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd omdat hij zich onrechtmatig in Nederland ophield. Hierbij is eiser aangezegd dat hij het grondgebied van de Europese Unie, de Economische Ruimte en Zwitserland binnen een termijn van 28 dagen moet verlaten en terugkeert naar het door eiser opgegeven land van herkomst, namelijk Ghana. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. 1.
- Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit toe, zodat eiser in deze procedure is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. 1.
- Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
- Eiser heeft drie gronden naar voren gebracht.
- Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet kan terugkeren naar het land van herkomst, omdat Ghana voor hem persoonlijk niet als een veilig land kan worden beschouwd. De rechtbank constateert dat tijdens het gehoor aan eiser is gevraagd of hij vrees heeft bij terugkeer voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen zijn land hem niet beschermt. Het antwoord van eiser was: “Mijn ouders zijn dood en ik ben enig kind. Bij wie zou ik kunnen verblijven daar? Daarom heb ik enige tijd nodig” Hieruit volgt niet dat eiser vrees had voor onmenselijke of vernederende behandeling of onmenselijke of vernederende bestraffing, zoals neergelegd in artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond faalt. Ook in beroep zijn geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat het besluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
- De tweede grond die eiser aanvoert is dat hij al sinds 2017 in Europa verblijft. De rechtbank vat dit op als dat eiser het opleggen van een terugkeerbesluit onevenredig vindt. Verweerder heeft, naar aanleiding van wat eiser heeft verklaard tijdens het gehoor, evenwel geen reden hoeven zien dat er sprake is van een onevenredig terugkeerbesluit.
- Als derde grond voert eiser aan dat hij voornemens was om een aanvraag tot een verblijfsvergunning op grond van ‘artikel 8 van het EVRM-privéleven’ of ‘humanitaire gronden’ in te dienen en dat verweerder op basis van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn af had moeten zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Als we kijken naar het gehoor voorafgaand aan het terugkeerbesluit bestond er evenwel geen aanleiding voor verweerder om op grond van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Met deze uitspraak is op het beroep van eiser beslist. Voor het treffen van de door eiser gevraagde voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL24.14047: - verklaart het beroep ongegrond; in de zaak NL24.14050: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.