← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23447

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5730 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser 1 [eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiser 2 hierna tezamen: eisers (gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.L.K. Hu). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een mvv. 1.
  2. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 19 augustus 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 op het bezwaar van eisers is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [referent] (referent), de heer O. Akrawy (tolk) en de gemachtigden van eisers en verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  5. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2004 en eiser 2 op [geboortedatum 2]
  6. Beiden hebben de Soedanese nationaliteit. Referent (halfbroer van eisers) heeft op 12 september 2019 een aanvraag ingediend voor eisers voor een mvv als familie- of gezinslid, zodat eisers bij hem kunnen verblijven.
  7. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is er tussen eisers en referent wel sprake van familie- en gezinsleven, maar valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM uit in het nadeel van eisers. Wat vinden eisers in beroep?
  8. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Eisers kunnen zich niet vinden in de door verweerder gemaakte belangenafweging. Tijdens de aanvraag waren eisers nog minderjarig en daar had verweerder in het bestreden besluit van uit moeten gaan. Daarnaast betekent de meerderjarigheid niet dat eisers zich zelfstandig kunnen handhaven. Zij zijn afhankelijk van referent en hun band met referent is sterker dan de band met hun ouders. Verder heeft verweerder te weinig gewicht toegekend aan de blijvende objectieve belemmering om het gezinsleven in Soedan uit te oefenen en te veel gewicht toegekend aan het economisch belang van Nederland. In dit geval kan eisers geen verwijt worden gemaakt als zij bij binnenkomst gebruik zullen maken van de openbare kas. Dit zal echter niet blijvend zijn, zij willen deelnemen aan de samenleving en kunnen eventueel terugvallen op referent. Verweerder had ook de asielgerelateerde aspecten van eisers mee moeten nemen in de belangenafweging. Eisers behoren tot een risicogroep. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  9. De rechtbank geeft eisers in deze zaak geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
  10. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM, waarbij familie- of gezinsleven wordt aangenomen, bij de belangenafweging een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en moet dit enigszins terughoudend toetsen. 7.
  11. Verweerder heeft in de belangenafweging in het voordeel van eisers meegewogen dat zij familie- en gezinsleven uitoefenen met referent en geen gevaar vormen voor de openbare orde. Ook is in het voordeel meegewogen dat er een objectieve belemmering is voor eisers en referent om in Soedan gezinsleven uit te oefenen. Anders dan eisers stellen, heeft verweerder een groot gewicht toegekend aan het bestaan van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Soedan uit te oefenen. Dat de objectieve belemmering niet doorslaggevend is geweest voor het hebben van een positieve verplichting om verblijf in Nederland toe te staan, maakt niet dat aan deze omstandigheid onvoldoende gewicht is toegekend of op een onjuiste wijze in de belangenafweging is betrokken. Verder is in dit kader nog van belang dat eisers niet meer in Soedan verblijven, maar in Tsjaad en Libië. Dat betekent dat het gezinsleven niet (meer) in Soedan uitgeoefend hoeft te worden. 7.
  12. Verder dient verweerder volgens zijn beleid in sommige gevallen de asielgerelateerde aspecten mee te nemen in de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat verweerder de algemene veiligheidssituatie, waarop eisers een beroep hebben gedaan, voldoende kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken. Vanwege deze omstandigheid heeft verweerder in de belangenafweging minder gewicht toegekend aan de sterke binding van eisers met Soedan. De stelling van eisers in beroep dat zij tot een risicogroep behoren en dat deze omstandigheid in de belangenweging dient te worden betrokken, volgt de rechtbank niet. Deze stelling is pas in beroep aangevoerd en is verder niet nader onderbouwd. Bovendien volgt uit het beleid van verweerder niet dat verweerder een dergelijk aspect in deze procedure inhoudelijk dient te beoordelen. Ook volgt uit deze enkele niet onderbouwde stelling niet dat een dergelijke omstandigheid een persoonlijke belemmering voor eisers en referent vormt om het gezinsleven vanuit Soedan te blijven uitoefenen, alwaar eisers nu niet meer verblijven. 7.
  13. Daarnaast heeft verweerder in de belangenafweging betrokken dat het hier gaat om een eerste toelating. In dergelijke situaties wordt een restrictief toelatingsbeleid gehanteerd. Verder hebben eisers geen sterke banden met Nederland en is het in hun belang dat zij – nu zij ten tijde van de aanvraag nog minderjarig waren – bij hun biologische ouders verblijven. De biologische ouders hebben bovendien nog het wettelijk gezag over eisers. Dat de ouders van eisers soms afwezig zijn in verband met hun werk, maakt dit niet anders. Het is immers niet in het belang van een minderjarige om zonder ouders bij een – ten tijde van de aanvraag – eveneens minderjarige halfbroer te verblijven. Dat verweerder in de belangenweging ook heeft betrokken dat eisers inmiddels meerderjarig zijn, maakt de belangenafweging niet onjuist. Verder weegt verweerder in het nadeel van eisers mee dat het gezinsleven tussen hen en referent niet in Nederland uitgeoefend hoeft te worden, nu dit ook op afstand kan blijven plaatsvinden. Referent oefent het gezinsleven met eisers al sinds zijn vertrek in 2018 al op afstand uit. Niet is gebleken dat de band tussen eisers en referent zodanig sterk is dat zij voor de uitoefening van het gezinsleven elkaars directe fysieke nabijheid nodig hebben. De omstandigheid dat referent destijds is gevlucht is daarom niet doorslaggevend. 7.
  14. Tot slot is in de belangenweging ook het economisch belang van de Staat in het nadeel van eisers meegewogen. Dat verweerder het economisch belang van de Nederlandse staat bij de belangenafweging mag betrekken, volgt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. Verweerder heeft in de belangenafweging betrokken dat eisers – omdat het inkomen van referent onder de norm van het wettelijk minimumloon ligt – een zekere tijd gebruik zullen maken van de openbare kas als zij in Nederland zijn. De stelling van eisers dat zij niet blijvend gebruik zullen maken van de openbare kas, willen deelnemen aan de samenleving en eventueel kunnen terugvallen op referent, maakt dit niet anders. Dit betreft immers een onzekere toekomstige gebeurtenis, terwijl op dit moment vaststaat dat referent niet beschikt over een inkomen waarmee hij eisers financieel kan onderhouden. Verder is ter zitting gebleken dat referent – anders dan in de beroepsgronden vermeld is – nog geen nieuwe woning heeft. De uitspraken waar eisers in dit verband naar verwijzen, slagen niet. Die uitspraken zien op zaken waarin de relevante feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak. Om die reden kan de belangenafweging tot een andere uitkomst leiden. 7.
  15. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken, met de gemaakte belangenafweging een ‘fair balance’ heeft gevonden tussen enerzijds de belangen van eisers en anderzijds de belangen van de Nederlandse staat, en op goede gronden heeft geoordeeld dat de belangenafweging in het nadeel van eisers valt. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder, in tegenstelling tot wat eisers ter zitting hebben betoogd, de eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 oktober 2023 voldoende in acht heeft genomen bij zijn bestreden besluit. Daarmee is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eisers niet ten onrechte heeft afgewezen. Conclusie en gevolgen
  16. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Daarmee is hun beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Machtiging tot voorlopig verblijf. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zie onder meer uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  17. Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
  18. WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM. Zie noot
  19. Uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  20. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 4 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2984; uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 10 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1614 en uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle van 16 februari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:464.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.