RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL23.37352 (beroep) en NL23.37355 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.K.L Hu). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een EU/EER-verblijfsdocument en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser, de moeder van eiser en de gemachtigden van partijen zijn ter zitting verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 7 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEU waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bij zijn (inmiddels ex-)partner, mevrouw [naam] (referente), blijkt.
- Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser familielid is van referent. Ook is niet aangetoond dat eiser een duurzame relatie heeft met referente en valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM uit in eisers nadeel. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Hoewel zijn relatie met referente is verbroken, kan hij alsnog rechten ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Hij heeft een bijzondere afhankelijkheidsverhouding met zijn ouders en vanwege die bijzondere afhankelijkheid is er ook sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In dit verband wijst eiser erop dat hij lijdt aan depressiviteit en suïcidale gedachten. Uitzetting zal leiden tot onomkeerbare gevolgen, nu er in Suriname geen sprake is van (toegang is tot) adequate medische voorzieningen en ook geen veilige opvang bij familie of kennissen. Uitzetting zal een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren en hij dient daarom uitstel van vertrek te krijgen. Onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 stelt eiser verder dat verweerder humaan dient te handelen. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank geeft eiser in deze zaak geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Artikel 20 VWEU Verhouding eiser en zijn ex-partner
- Allereerst overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser geen aanspraak kan maken op verblijf bij de door eiser genoemde partner, nu vast staat dat de relatie tussen hen is verbroken. Het betoog van eiser ter zitting dat hij tijdens zijn relatie rechten heeft opgebouwd in het kader van het Unierecht, slaagt niet. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op drie arresten van het Hof. Eiser heeft echter niet gemotiveerd welke rechten als bedoeld in het Unierecht hij tijdens zijn gestelde relatie zou hebben opgebouwd en waarom de verwijzing naar deze arresten relevant zou zijn. Bovendien zien de arresten niet op een situatie zoals hier aan de orde. Verhouding eiser en zijn moeder 7.
- Uit het arrest K.A. van het EHRM volgt dat tussen twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU kan bestaan. Daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake en dit doet zich enkel voor in gevallen waarin tussen twee volwassenen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. 7.
- Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt, omdat eiser in de bestuurlijke fase geen beroep heeft gedaan op het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn moeder. Daar komt bij dat eiser dit standpunt niet heeft onderbouwd, nu hij geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat hij psychische klachten heeft en daarom niet gescheiden kan worden van zijn moeder. Ter zitting is overigens gebleken dat eiser niet onder behandeling staat voor de gestelde psychische klachten. Het beroep op het arrest K.A. slaagt dan ook niet. Dat betekent dat ook het beroep op het arrest Jeunesse, waarop in dit verband een beroep is gedaan, niet kan slagen. Artikel 8 van het EVRM
- Omdat, zoals hierboven is overwogen, geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder, kan van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM ook geen sprake zijn. In een dergelijke situatie hoeft verweerder ook geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken. 8.
- Ten aanzien van het beroep op het arrest Jeunesse overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij met dit beroep heeft willen stellen dat het besluit van verweerder tot inhumane gevolgen leidt. De rechtbank volg eiser hierin niet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en is – zoals uit het bovenstaande volgt – op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor het gevraagde document en voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser en zijn moeder in elkaars nabijheid willen verblijven, kan dit niet tot de conclusie leiden dat het besluit van verweerder inhumaan zou zijn.. 8.
- Het beroep van eiser op de richtsnoeren voor de toepassing bij de Gezinsherenigingsrichtlijn kan ook niet slagen, nu deze richtlijn niet van toepassing is in deze zaak. Uitstel van vertrek
- In het bezwaarschrift heeft eiser aangedragen dat zijn medische klachten zorgen voor een medische noodsituatie waardoor hij niet kan reizen, terwijl de situatie in zijn land van herkomst onvoldoende garantie zou bieden om deze medische noodsituatie op te heffen. Daarmee heeft eiser, anders dan verweerder stelt, wel een (impliciet) beroep gedaan op uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw. Echter heeft eiser dit standpunt niet gemotiveerd bij zijn bezwaar en beroep, waardoor verweerder aan eiser geen uitstel van vertrek had hoeven of moeten verlenen. Conclusie en gevolgen
- De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
- Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaar het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 (Jeunesse t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie. Arresten van het Hof van 6 oktober 1982 (Clifit), C-283/81; van 26 oktober 1982 (Kupferberg), C-104/81 en van 30 september 1987 (Demirel), C-12/
- Arrest van het EHRM van 8 april 2018 (K.A. e.a. t. België), ECLI:EU:C:2018:
- Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging van 3 april 2014, COM
(2014)210 final. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).