RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.36282 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.L.K Hu). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en ongewenstverklaring. 1.
- Verzoeker heeft tegen het besluit van verweerder bezwaar gemaakt. 1.
- Verweerder heeft aangegeven zich te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en gemachtigden van verzoeker en verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over?
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Kroatische nationaliteit. Met het bestreden besluit van 9 november 2023 heeft verweerder verzoekers verblijfsrecht beëindigd. Ook heeft hij aan hem een terugkeerbesluit en een ongewenstverklaring opgelegd. Volgens verweerder vormt het gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor fundamentele belangen van de samenleving. Wat vindt verzoeker in de voorzieningenprocedure?
- Verzoeker voert – kort gezegd – het volgende aan. Vanwege het ingrijpende karakter van verweerders beslissing heeft verzoeker spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zonder de schorsende werking dient verzoeker Nederland te verlaten, kan hij worden uitgezet en heeft hij niet de mogelijkheid zijn bezwaarprocedure hier af te wachten. Verder heeft het bezwaar redelijke kans van slagen, nu onvoldoende is gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van verzoeker is uitgevallen. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
- Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als hieraan wordt voldaan, toets de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
- De enkele omstandigheid dat een besluit tot vertrek van de vreemdeling voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Indien er nog geen aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op korte termijn zal worden uitgezet, is dit een onzekere toekomstige gebeurtenis en heeft de vreemdeling geen spoedeisend belang bij zijn verzoek. 8.
- Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat er nog geen actieve vertrekprocedure is opgestart en dat er geen sprake is van een concrete uitzettingsdatum. Verder heeft verzoeker niks aangedragen waaruit volgt dat er aanwijzingen zijn dat hij op korte termijn zal worden uitgezet. Gelet hierop is er op dit moment geen spoedeisend belang dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt. Conclusie en gevolgen
- Er is geen sprake van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit besluit niet worden opgeschort.
- Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. - De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie onder meer uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1877 en 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2109.