RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/2053 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.C.H. Pronk), en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. H. Zilverberg). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bij besluit van 28 oktober 2020 vastgestelde ambtsbericht. 1.
- Met het bestreden besluit van 3 februari 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de vaststelling van het ambtsbericht gebleven. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- Voorafgaand aan de zitting van 11 maart 2024 heeft de gemachtigde van eiser de rechter gewraakt. De rechtbank heeft daarop het onderzoek geschorst in afwachting van de uitkomst van de wrakingsprocedure. Van deze schorsing is een proces-verbaal gemaakt dat aan partijen is toegezonden. Op de zitting van de wrakingskamer van 27 mei 2024 is het wrakingsverzoek ingetrokken. Hierna is de procedure voortgezet in de stand waarin zij zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek. 1.
- Het onderzoek is op de zitting van 13 september 2024 hervat en gelijktijdig behandeld met het samenhangende beroep met zaaknummer SGR 23/
- Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is met ingang van 29 januari 2006 aangesteld als militair bij Defensie en was aanvankelijk ingedeeld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht. Met ingang van 26 augustus 2019 was eiser ingedeeld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Hij volgde daar de opleiding tot Algemeen Opsporingsambtenaar met het oog op verdere functievervulling bij de KMar. Als gevolg van het vaststellen van het ambtsbericht op 28 oktober 2020 is de bestemming van eiser met ingang van 1 oktober 2020 gewijzigd naar de Koninklijke Landmacht. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder heeft mogen besluiten tot het vaststellen van het ambtsbericht. 2.
- Verweerder heeft aan het vaststellen van het ambtsbericht ten grondslag gelegd dat uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal blijkt dat eiser op 26 maart 2020 omstreeks 01:00 uur door twee verbalisanten met alcohol achter het stuur van zijn auto is aangetroffen. Het voertuig van eiser stond geparkeerd op een fietspad, waarbij de motor draaide en de verlichting aanstond. Verweerder heeft dit opgevat als aanstalten maken om te gaan rijden. Verweerder verwijt eiser ook dat hij zich tijdens de politiecontrole niet heeft gedragen zoals van een medewerker van de KMar mag worden verwacht en dat hij tegen zijn commandant heeft gelogen over de uitkomst van de blaastest en zijn alcoholgebruik. Daarbij is vastgesteld dat eiser onvoldoende in staat is gebleken om te reflecteren op zijn eigen handelen. Tot slot is door verweerder meegewogen dat eiser al een keer eerder tijdens zijn dienstverband bij Defensie in verband is gebracht met het rijden onder invloed van alcohol. 2.
- De samenhangende zaak met zaaknummer SGR 23/2093 gaat over de rechtspositionele besluiten die zijn genomen naar aanleiding van het hiervoor beschreven incident. Daarin ligt een nieuw besluit op bezwaar voor, genomen naar aanleiding van een uitspraak van deze rechtbank van 4 maart
- In die uitspraak is geoordeeld dat de bezwaren van eiser ten onrechte niet inhoudelijk waren behandeld. Verder is daarin overwogen dat de rechtmatigheid van de rechtspositionele besluiten in belangrijke mate afhangt van de rechtmatigheid van het ambtsbericht. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser is het niet eens met de vaststelling van het ambtsbericht en voert daartoe - kort samengevat - het volgende aan. 3.
- Aan het ambtsbericht ligt een onjuiste feitenvastelling ten grondslag. Volgens eiser hebben de verbalisanten van de politie zijn voertuig omwille van zijn verleden besloten te controleren. Verder ontkent eiser dat hij alcohol had gedronken toen hij in zijn auto werd aangetroffen. Eiser heeft niet drie maar twee keer geblazen. Als wel een derde keer zou zijn geblazen is dat reden tot zorg, omdat dit in strijd is met de regels die gelden voor het afnemen van een blaastest. Eiser kan over de uitslag daarom ook niet hebben gelogen tegen zijn commandant. Verder kan uit de videobeelden van de bodycam niet worden opgemaakt dat eiser zich onbetamelijk tegenover de verbalisanten heeft gedragen en dat hij daarmee in strijd zou hebben gehandeld met de kernwaarden van Defensie. Eiser wijst er juist op dat de verbalisanten degenen waren die zich onheus en onprofessioneel hebben opgesteld en bovendien blijk hebben gegeven van vooringenomenheid. Zo is aan het begin van de videobeelden al te horen dat een van de verbalisanten eiser eerder op een briefing of iets dergelijks heeft gezien en maken de verbalisanten misbruik van het gestotter van eiser door hem steeds in de rede te vallen en hem niet te laten uitpraten. Bovendien is van één van de verbalisanten bekend dat hij bij de rellen op het Sonsbeekpark op Koningsdag 2021 weerloze arrestanten heeft mishandeld. Alleen al om die reden moet aan diens verklaringen minder gewicht moet worden toegekend. 3.
- Verder hebben de verbalisanten zich tijdens het onderzoek schuldig gemaakt aan discriminatie. Eiser stelt daartoe dat hij door hen niet werd geloofd toen hij uitlegde dat hij op grond van geloofsoverwegingen in de auto was gaan zitten. Bovendien is door de verbalisanten tijdens het onderzoek geen rekening gehouden met de omstandigheid dat alcohol voor iemand uit een moslimgemeenschap een zeer gevoelig onderwerp is. Verweerder heeft aan dit discriminerende optreden van de politie geen consequenties verbonden. 3.
- Daarbij heeft verweerder niet gekeken naar de lengte van eisers dienstverband bij Defensie. Ook het goede functioneren van eiser gedurende zijn dienstverband is door verweerder onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Verder is door verweerder niet bezien of een lichtere maatregel zoals een minnelijke regeling of een verbetertraject in dit geval had kunnen volstaan. Door in plaats daarvan direct over te gaan tot het vaststellen van een ambtsbericht is eiser zijn baan en zijn toekomst bij de KMar kwijtgeraakt. Bovendien roept dit een vertekend beeld op van eiser bij zijn omgeving. Dit maakt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 3.
- Gelet op het voorgaande verzoekt eiser de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het ambtsbericht wordt ingetrokken. Verder verzoekt eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten die zijn gemaakt in de bezwaar- en beroepsprocedure. Gelet op de laakbare proceshouding van verweerder in deze procedure kan in dit geval niet worden volstaan met slechts een forfaitaire proceskostenvergoeding. Verder vraagt eiser om een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en deze gelet op het gewicht van de zaak te vermenigvuldigen met factor drie. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder het ambtsbericht heeft kunnen vaststellen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De bevoegdheid een ambtsbericht op te leggen 4.
- Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Verder moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. 4.
- Het ambtsbericht is onder meer gebaseerd op bevindingen die zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de politie en op beelden van de bodycam van één van de verbalisanten. Uit dit proces-verbaal blijkt – samengevat – het volgende. 4.2.
- Op donderdag 26 maart 2020, rond 01:00 uur, zagen verbalisanten dat op de dijk, de [straat] , een personenauto stilstond. De voor- en achterlichten van het voertuig brandden nog. Gelet op het tijdstip en de locatie besloten de verbalisanten om naar het voertuig toe te rijden om de inzittenden hiervan te controleren. Toen de verbalisanten bij de auto kwamen zagen zij dat er één man (eiser) in de auto aanwezig was. Eiser zat achter het stuur en de verbalisanten hoorden dat de motor van de auto nog draaide. Op de verbalisanten maakte eiser een verdachte indruk omdat hij geen concreet antwoord kon of wilde geven op de vraag wat hij op dat moment op die locatie deed. De verbalisanten besloten daarop uit hun voertuig te stappen om eiser te vragen zich te identificeren. Toen eiser stelde dat hij niks bij zich had, scheen een van de verbalisanten met zijn zaklamp in het voertuig. Eiser reageerde vervolgens geïrriteerd dat niet in zijn ogen moest worden geschenen. Eiser heeft zijn legitimatiebewijs van de KMar en zijn rijbewijs aan de verbalisanten laten zien. Tijdens het gesprek werd door de verbalisanten opgemerkt dat eiser bloeddoorlopen ogen had en zijn oogleden vochtig waren. Omdat eiser zich volgens verbalisanten zowel in zijn houding als communicatie verdacht gedroeg, werd besloten om bij hem een blaastest af te nemen. Deze blaastest moest in totaal drie keer worden uitgevoerd omdat eiser steeds opzettelijk erg kort in het mondstuk blies. Niettemin bleek na de derde blaaspoging dat het ademselectiemiddel een positieve testuitslag bepaalde. Die uitslag was G/F en werd aan eiser medegedeeld en getoond. Vanwege de positieve testuitslag werd aan eiser een rijverbod opgelegd voor de duur van 24 uur. Toen een van de verbalisanten vervolgens aan eiser vroeg wat de naam is van zijn commandant, wilde eiser deze niet geven. Eiser weigerde daarna aanvankelijk ook om zijn volledige registratienummer te geven. Toen alle gegevens waren genoteerd, gaf een van de verbalisanten eiser te kennen dat hij als militair en politieman beter had moeten weten en dat het absoluut niet kan om met drank achter het stuur te kruipen. Eiser reageerde daarop dat hij niks had gedaan en naar huis reed. Vervolgens vertelde eiser volgens de verbalisanten nog een onsamenhangend verhaal dat door zijn dubbele tong niet te verstaan was. Daarna werd het gesprek afgerond. Van collega’s vernamen de verbalisanten op een later moment dat een vrouw het voertuig van eiser had opgehaald. 4.
- Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangpunt. Het dossier geeft geen aanknopingspunt om aan te nemen dat eiser door de betrokken politieagenten is gediscrimineerd wegens zijn geloofsovertuiging of – zoals op zitting door eiser gesteld – zijn afkomst. Uit het proces-verbaal blijkt dat de locatie van de geparkeerde auto aanleiding gaf om ter plaatse te gaan kijken. Niet blijkt dat persoonsgegevens of kenmerken van eiser een rol hebben gespeeld bij de beslissing van de agenten om poolshoogte te nemen. Dat de verbalisanten van mening waren dat eiser een verdachte indruk maakte omdat hij geen concreet antwoord kon of wilde geven op de vraag wat hij op dat moment op die locatie deed, wijst niet op discriminatie op basis van de geloofsovertuiging van eiser. Het betoog van eiser dat verweerder het ambtsbericht niet kan baseren op bevindingen die voortkomen uit discriminerend politieoptreden, slaagt daarom niet. Het dossier biedt evenmin steun voor de stelling van eiser dat de politieagenten zich onheus en onprofessioneel tegenover hem zouden hebben opgesteld tijdens de controle en blijk zouden hebben gegeven van vooringenomenheid. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het proces-verbaal van de politie en de videobeelden van de bodycam kunnen vaststellen dat eiser aanstalten maakte om een voertuig te gaan besturen, terwijl hij op dat moment teveel alcohol had genuttigd om dat te mogen doen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat door de agenten geen uitslag van de ademanalyse is vastgesteld. In het proces-verbaal is vermeld dat het resultaat van het ademselectiemiddel G/F is en uit de videobeelden van de bodycam blijkt dat aan eiser wordt meegedeeld dat hij meer alcohol heeft genuttigd dan toegestaan. Die vaststelling is voor de verbalisanten aanleiding om een schriftelijk rijverbod uit te reiken aan eiser. Uit de videobeelden blijkt verder dat een van de agenten tijdens een telefoongesprek met een collega over de duur van het rijverbod meldt dat eiser een F blaast. De stelling van eiser dat geen sprake is geweest van drie blaaspogingen, dan wel dat de blaastest niet is uitgevoerd volgens de regels van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer geeft geen aanknopingspunt om aan te nemen dat het resultaat van de ademanalyse niet juist is geweest. 4.
- Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich bij de controle niet heeft gedragen zoals men van een medewerker van de KMar mag verwachten. De rechtbank volgt verweerder erin dat eiser zich tijdens het onderzoek op meerdere momenten niet coöperatief heeft opgesteld tegenover de verbalisanten. Deze bevindingen worden ondersteund door de videobeelden van de bodycam. 4.
- Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien en daarom niet volgens dat inzicht heeft kunnen handelen. Het plichtsverzuim dat aanleiding is geweest voor het ambtsbericht kan daarom aan eiser worden toegerekend. Evenredigheid
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het vaststellen van het ambtsbericht met de duur van zes jaar niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft toegelicht dat de KMar een eenduidig beleid hanteert betreffende het rijden onder invloed en dat in beginsel wordt overgegaan tot de rechtspositionele maatregel van het vaststellen van een ambtsbericht wanneer de wettelijke toegestane hoeveelheid alcoholpromillage is overschreden. Het aanstalten maken om met te veel alcohol op een voertuig te gaan besturen wordt door verweerder op dezelfde wijze gewogen. Daarbij mocht verweerder betrekken dat eiser al een keer eerder tijdens zijn dienstverband bij Defensie in verband is gebracht met het rijden onder invloed van alcohol. Verder heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser als medewerker van de KMar een voorbeeldfunctie vervulde en gelet daarop van hem had mogen verwacht dat hij een coöperatieve houding tegenover de politie zou aannemen. De rechtbank kan verweerder erin volgen dat het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate is geschaad en dat daarmee verschillende kernwaarden van Defensie geschonden. De rechtbank volgt verweerder ook in het standpunt dat de door eiser afgelegde verklaringen van weinig inzicht in zijn eigen gedragingen getuigen en dat hij daarmee onvoldoende lijkt te begrijpen wat er van hem als militair wordt verwacht. De door eiser gestelde omstandigheid dat hij langere tijd tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd heeft verweerder minder zwaarder mogen wegen dan het organisatiebelang van Defensie. Dat geldt ook voor het door eiser gestelde vertekende beeld dat zijn omgeving van hem krijgt door het ambtsbericht. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
- Over het verzoek van eiser om een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank het volgende. Gelijktijdig met de behandeling van dit beroep heeft de behandeling van het beroep met zaaknummer SGR 23/2093 plaatsgevonden. Omdat deze zaken worden aangemerkt als samenhangende zaken is de hoogte van de te bepalen schadevergoeding afhankelijk van de uitkomst van de zaak met zaaknummer SGR 23/
- In deze zaak wordt daarom volstaan met de vaststelling dat de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het vastgestelde ambtsbericht in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummers SGR 21/2464 en SGR 21/
- Eiser verwijst naar artikel 6 en 7 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Uitspraak van de Raad van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT
- Uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:
- Opgenomen in het dossier van de Sectie Interne Onderzoeken. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Minuut 06:31 van de videobeelden. Minuut 07:36 van de videobeelden.