RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/7184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. E. Weijer), en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: kap. mr. J.H.L. Damen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem eervol ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte. 1.1. Verweerder heeft dit besluit op 15 februari 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 22 september 2023 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. P.L.W.M. Stringer - Gordebeke. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten. 1.4. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 maart 2024 heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere (bewijs)stukken in te dienen. Van die gelegenheid hebben partijen gebruik gemaakt. Partijen hebben ook gereageerd op de overgelegde stukken. 1.5. De rechtbank heeft vervolgens besloten om de zaak opnieuw op zitting te behandelen. Deze zitting heeft op 26 augustus 2024 plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verweerder heeft eiser met ingang van 1 mei 2023 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid wegens ziekte. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder gelet op het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) bevoegd was om per die datum ontslag te verlenen. Wat vindt eiser in beroep? 2.1. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat hij eiser al op 25 mei 2022 had kunnen ontslaan. Eiser wijst erop dat verweerder hem alleen had kunnen ontslaan indien op die datum vaststond dat herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden niet te verwachten viel. Eiser wijst erop dat uit de sociaal-medische beoordeling van de verzekeringsarts van 9 juni 2022 blijkt dat op dat moment sprake was van benutbare mogelijkheden. Bovendien heeft de bedrijfsarts op 23 mei 2022 geadviseerd tot een gedeeltelijke werkhervatting in de eigen functie. Door beide partijen is ook uitvoering gegeven aan dit advies. Op 1 november 2022 werkte eiser alweer 20 uur per week en zag het ernaar uit dat hij binnen enkele weken de met de bedrijfsarts afgesproken 24 uur per week zou kunnen werken. Eiser zou vervolgens instromen in de PAS-regeling waarbij hij tot aan zijn pensioen – op 16 april 2026 – 24 uur per week zou moeten werken. Bij de beoordeling van de vraag of herstel van de ziekte van eiser binnen zes maanden viel te verwachten, moest verweerder dan ook uitgaan van deze 24 uur per week. In zoverre lag herstel van de ziekte volgens eiser dus binnen de lijn der verwachting. Dat tegen het eind van het re-integratietraject een operabele tumor bij eiser werd ontdekt, doet daar niet aan af. Volgens eiser heeft zijn leidinggevende hem onnodig naar huis gestuurd, nadat hij de ontdekking van de operabele tumor op het werk bekend had gemaakt. De behandeling van de tumor was op dat moment namelijk nog niet aangevangen en daarom werd hij niet belemmerd in het uitvoeren van de werkzaamheden die hij verrichte in het kader van zijn re-integratie. Eiser stelt in dat verband nadrukkelijk dat hij zichzelf niet heeft ziekgemeld en dat er geen bedrijfsarts betrokken is geweest bij dit besluit van zijn leidinggevende. Pas op 5 december 2022 is door de bedrijfsarts geoordeeld dat eiser vanaf dat moment niet meer belastbaar was. Eiser had evenwel binnen de afgesproken termijn van zes maanden weer kunnen opbouwen tot 24 uur per week als zijn leidinggevende hem niet naar huis had gestuurd. 2.2. Voorts heeft verweerder uit het WIA-besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van 21 juni 2023 afgeleid dat herstel van de ziekte van eiser niet binnen een periode van zes maanden viel te verwachten. Eiser stelt echter dat dit besluit slechts ziet op de periode van een half jaar na dat besluit, en dus niet op de periode van een half jaar na het uiteindelijke ontslagbesluit van 15 februari 2023. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 28 juni 2018. Verweerder had dan ook voor het verlenen van het ontslag nogmaals een oordeel moeten vragen aan het UWV over benutbare mogelijkheden van eiser. Ook na het verwijderen van de operabele tumor had verweerder moeten bezien of het re-integratietraject van eiser kon worden hervat. 2.3. Daarbij stelt eiser onder verwijzing naar een e-mailwisseling met Defensie van 1 augustus 2022 dat hem de toezegging is gedaan dat er een herbeoordeling van het UWV zou worden aangevraagd wanneer er een stagnatie zou plaatsvinden in de urenopbouw. Verweerder had eiser zonder het laten plaatsvinden van deze herbeoordeling dan ook niet mogen ontslaan. Door desondanks over te gaan tot direct ontslag heeft verweerder in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. 2.4. Verder benadrukt eiser dat hij op het moment van het ontslag voor 62,5% door het UWV arbeidsongeschikt was verklaard. Hij had dan ook in zijn eigen functie werkzaam kunnen blijven met aanpassing van het aantal uren (gedeeltelijk ontslag). Deze herplaatsingsmogelijkheid had door verweerder moeten worden onderzocht alvorens werd overgegaan tot volledig ontslag. Wat vindt verweerder in beroep? 3. Volgens verweerder mocht al op 25 mei 2022 tot ontslag worden overgegaan, maar is hiermee onverplicht is gewacht omdat het toen beter ging met eiser en verweerder hem in de gelegenheid wilde stellen om zijn werkzaamheden alsnog binnen zes maanden te hervatten. 3.1. Er is niet voldaan aan het herstelcriterium van een re-integratie. Het herstelcriterium is een arbeidsgeschiktheid voor de geheel aanstelling van 38 uur. Eiser heeft in de zesmaandentermijn niet kunnen re-integreren naar 38 uur. Dat heeft de tijd ook uitgewezen. Verweerder wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 februari 2020. Verder is in een gesprek op 1 juni 2022 aan eiser meegedeeld dat hij alsnog ontslagen zal worden wanneer de re-integratie stagneert of wanneer hij zich opnieuw ziekmeldt. Dit staat ook in het UWV-rapport van 21 juni 2022. 3.2. Er bestaat geen recht om de re-integratie te hervatten. Eiser is al een extra re-integratiemogelijkheid geboden van 7 juni 2022 tot 7 november 2022. Nadere medische stukken van eiser over gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid hebben alle betrekking op de periode na de extra integratie. Die stukken bieden geen nieuwe inzichten en zijn niet relevant voor de voorliggende rechtsvraag. Wat is het oordeel van de rechtbank? Feiten en omstandigheden 4. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. Eiser was sinds 1 oktober 1985 werkzaam als Revisie of componenten monteur bij het ministerie van Defensie. 4.2. Op 25 mei 2020 heeft eiser zich ziekgemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten. Op 4 mei 2021 heeft verweerder besloten om de bezoldiging van eiser met ingang 25 mei 2021 te verlagen tot 70% van zijn laatstgenoten bezoldiging. In een arbeidsdeskundig rapport van 2 november 2021 is vastgesteld dat bij eiser vanaf de datum van zijn ziekmelding geen benutbare mogelijkheden zijn geweest. 4.3. Om de re-integratie van eiser te optimaliseren is hij met ingang van 2 maart 2022 secundair geplaatst door middel van een tijdelijke tewerkstelling op een arbeidsplaats bij het Dienstencentrum Re-integratie. In het re-integratieverslag van 4 maart 2022 is vastgesteld dat eiser tot die datum door zijn klachten in het geheel niet belastbaar is geweest en het aannemelijk is dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden zijn. Tevens is hierin geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van verweerder tot dat moment steeds voldoende zijn geweest. 4.4. Op 23 mei 2022 heeft de bedrijfsarts geadviseerd tot een gedeeltelijke werkhervatting in de eigen functie. Verder heeft de verzekeringsarts op 9 juni 2022 in het kader van de op handen zijnde WIA-aanvraag een sociaal-medische beoordeling verricht. Hierbij is vastgesteld dat bij eiser sprake is van benutbare mogelijkheden, alhoewel de belastbaarheid wel wordt beperkt door klachten voortkomend uit ziekte. Eiser is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, waarbij hectiek, productiedruk, grote eindverantwoordelijkheid en veeleisende sociale interacties niet passend zijn. Uit preventief oogpunt acht de verzekeringsarts de duurbelastbaarheid nog beperkt tot gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week bij werken overdag. De prognose is dat de beperkingen van eiser nog wat verder kunnen afnemen indien zijn herstel zich kan consolideren. Eiser blijft kwetsbaar voor werksituaties met een hoge belasting in het persoonlijk en sociaal functioneren, waardoor hoge eisen hierin blijvend niet passend zijn. 4.5. Op 19 juni 2022 heeft de arbeidsdeskundige een rapport uitgebracht waaruit blijkt dat eiser voor 62,50% arbeidsongeschikt is en daarmee niet geschikt voor de maatgevende arbeid van 38 uur per week. Op 21 juni 2022 heeft het UWV besloten dat eiser in de periode van 23 mei 2022 tot en met 22 mei 2024 een WIA-uitkering zal ontvangen. 4.6. In het plan van aanpak van 1 juni 2022 is met eiser afgesproken dat hij nog zes maanden de tijd zou krijgen om zijn werkzaamheden op te bouwen tot 24 uur per week. Eind oktober 2022, toen hij al had opgebouwd tot 20 uur per week, heeft eiser te horen gekregen dat hij een operabele tumor in zijn darmen had. Toen hij dit op 1 november 2022 aan zijn leidinggevende had verteld, is eiser naar huis gestuurd. In de rapportage verzuimbegeleiding van 5 december 2022 is vastgesteld dat eiser vanwege de tumor een uitgebreide behandeling moest ondergaan, waardoor hij op dat moment niet meer belastbaar was in zijn werk. Op 7 februari 2023 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat eiser weer in staat was tot het verrichten van enige arbeid, maar dat dit slechts van korte duur zou zijn wegens de medische behandeling die in maart 2023 van start zou gaan. 4.7. Op 15 februari 2023 heeft verweerder eiser met ingang van 1 mei 2023 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid wegens ziekte. 4.8. In het kader van de behandeling van de tumor van eiser is op 30 november 2022 gestart met chemotherapie. Op 6 juni 2023 heeft er uiteindelijk een operatie plaatsgevonden waarbij de tumor is verwijderd. Eiser is vervolgens tot november 2023 kankervrij gebleven. Op dat moment is bij eiser een nieuwe, niet-operabele tumor ontdekt die niet met radiotherapie is te behandelen. De verwachting is dat eiser hier binnen een periode van een jaar aan zal komen te overlijden. 4.9. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 1 september 2023 vastgesteld op 80 tot 100%. Eiser heeft vanaf die datum een IVA-uitkering. Was verweerder bevoegd om eiser te ontslaan? 5. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder niet bevoegd was om eiser wegens ziekte te ontslaan. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Gelet op artikel 121, derde lid, van het BARD, kan aan eiser ontslag wegens ziekte worden verleend als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.