RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/7153 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: N. Hussein Hussein), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: drs. J.M. Sidler). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om naturalisatie. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 september 2022 afgewezen, dit is op 14 oktober 2022 aan eiser uitgereikt. Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over?
- Eiser heeft een verzoek om naturalisatie gedaan bij het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao (Kabinet). Dit verzoek is door verweerder afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend.Dit besluit (het bestreden besluit) is op 20 juni 2023 aan eiser uitgereikt. Op 4 juli 2023 heeft eiser hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Dit is door verweerder aangemerkt als beroep en doorgezonden aan de rechtbank. Wat vindt eiser in beroep?
- Volgens eiser is zijn bezwaar ten onrecht niet-ontvankelijk verklaard. De vrouw die hem hielp met de bezwaarprocedure was zwanger en was te laat met het sturen van het bezwaar. Verder voert eiser aan dat het niet aan hem toe te rekenen is dat het postbedrijf Cpost er lange tijd over doet om de post te bezorgen. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is allereerst van oordeel dat het beroep van eiser, uitgaande van de ontvangst op 17 juli 2023, tijdig is ingediend en derhalve ontvankelijk is.
- De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
- Op 14 oktober 2022 is het primaire besluit in persoon aan eiser uitgereikt. De termijn voor indiening van het bezwaarschrift van zes weken ving aan op 14 oktober 2022 en eindigde op 25 november
- Bij brief van 18 november 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaarschrift van eiser op 7 december 2022 ontvangen. Dit is ongeveer twee weken na afloop van de bezwaartermijn.
- Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Hierbij wordt de poststempel als uitgangspunt genomen voor de datum van terpostbezorging. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is door de wetgever onderkend dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onvoldoende kan zijn voor verzendingen vanuit het buitenland. Onder omstandigheden kan in die gevallen niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvoor is wel vereist dat de betrokkene het bezwaarschrift heeft verzonden op een tijdstip dat en met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, wordt overschreden.
- De rechtbank is van oordeel dat de termijn voor indiening van het bezwaarschrift van zes weken, aanving op 14 oktober 2022 en eindigde op 25 november
- Gelet op de verklaring van de gemachtigde van eiser dat het bezwaarschrift na 18 november 2022 is verzonden en er in het dossier een verzendbewijs is van 23 november 2022, gaat de rechtbank uit van deze verzenddatum. Eiser heeft het bezwaarschrift dus twee dagen voor het einde van de bezwaartermijn op de post gedaan. Hiermee heeft hij het risico genomen dat het bezwaarschrift niet tijdig door verweerder zou worden ontvangen. Het is immers niet ongebruikelijk dat een brief uit Curaçao langer dan een week onderweg is. Eiser had bij de verzending van het bezwaarschrift hiermee rekening dienen te houden. Nu niet is gebleken dat eiser het bezwaarschrift niet (veel) eerder ter post had kunnen bezorgen, kan niet worden gezegd dat eiser datgene heeft gedaan wat van hem redelijkerwijs mocht worden verwacht. De stelling van eiser dat de vrouw die hem hielp zwanger was en dat zij verantwoordelijk was voor de te late verzending, maakt het voorgaande niet anders. Los van het feit dat eiser dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd, komen de handelingen van een gemachtigde voor rekening van degene die de persoon inschakelt. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie artikel 6:6, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:15, tweede lid, van de Awb. artikel 6:11 van de Awb. Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1944.