RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/1918 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder (gemachtigde: mr. A.D. Bouwman). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. 1.
- Verweerder heeft op 11 december 2023 een brief aan eiser gestuurd in reactie op een door hem ingediende klacht. Met het bestreden besluit van 17 januari 2024 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank
- Eiser heeft bij verweerder meerdere klachten ingediend over de door hem ervaren discriminatie door twee woningcorporaties. Volgens eiser wordt onterecht onderscheid gemaakt bij de woningtoewijzing door deze woningcorporaties, omdat zij bij bepaalde mensen vragen om een oud-verhuurdersverklaring.
- Verweerder heeft op 11 december 2023 met een brief gereageerd op de door eiser ingediende klachten. Volgens verweerder is het verstrekken van een oud-verhuurdersverklaring geen vereiste dat op grond van de Huisvestingsverordening Krimpenerwaard 2021 (hierna: de Huisvestingsverordening) wordt gesteld om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning. Verweerder is daarom niet bevoegd om handhavend op te treden. Bij klachten over de woningcorporaties moet eiser zich tot deze organisaties wenden en als hij meent dat deze organisaties onrechtmatig handelen kan eiser zich wenden tot de civiele rechter.
- Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de brief van 11 december 2023 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
- De rechtbank zal zich eerst uitlaten over de vraag of het beroep te laat is ingediend.
- Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
- De rechtbank oordeelt dat eiser te laat is met het instellen van beroep. Het beroep moet worden ingesteld binnen zes werken nadat het bestreden besluit bekend is gemaakt. Het bestreden besluit is van 17 januari 2024 en is per post verzonden. De termijn voor het instellen van beroep verliep op 29 februari
- Eiser heeft pas 1 maart 2024 beroep ingesteld. Dat is te laat.
- Als iemand een beroepschrift te laat indient moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift betrokkene niet kan worden toegerekend. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkheidverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
- Eiser heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er geen verontschuldiging is voor dit verzuim.
- Nu het beroep niet-ontvankelijk is, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke gronden van eiser. Conclusie en gevolgen
- Gelet op de te late indiening van het beroepschrift is het beroep niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat gaan aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene wet bestuursrecht.