← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23563

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 23-1292 Zaaknummer: C/09/643171 Datum beschikking: 8 mei 2024 Vervangende toestemming erkenning en omgang Beschikking op het op 20 februari 2023 ingekomen verzoekschrift van: [de man] , de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. M.H. Schmidt te Amsterdam. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp, de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] , in rechte vertegenwoordigd door mr. M-J.E. Gilsing, advocaat te Alphen aan den Rijn, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure Bij beschikking van 18 oktober 2023 van deze rechtbank is een beslissing over de vervangende toestemming erkenning van [minderjarige] door de man en de omgang tussen de man en [minderjarige] aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:  het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage van 1 februari 2024, kenmerk KZ-1-5T6ACZ5. Op 10 april 2024 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:  de advocaat van de man;  de moeder, bijgestaan door haar advocaat;  de bijzondere curator;  [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De man is, hoewel op de juiste wijze opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Beoordeling Vervangende toestemming erkenning Wettelijk kader Artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Daarmee is voldaan aan de in artikel 1:204 BW gestelde voorwaarde op grond waarvan de man om vervangende toestemming tot erkenning kan verzoeken. Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem of haar reële risico’s zijn dat hij of zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is om de minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Standpunten van partijen De Raad adviseert dat erkenning van [minderjarige] door de man niet in het belang van [minderjarige] is. De Raad acht het zeer aannemelijk dat erkenning de ongestoorde verhouding tussen [minderjarige] en de moeder zal schaden. De Raad verwacht dat erkenning ervoor zorgt dat de man denkt hier meer rechten aan te kunnen ontlenen dan hij daadwerkelijk heeft. In het contact met de man blijkt volgens de Raad dat het hem niet lukt om zich open te stellen voor feitelijk juiste informatie over zijn rechten als juridisch vader. Het is de Raad, de politie, Veilig Thuis, Stevig Ouderschap en de bijzondere curator niet gelukt om echt met de man in gesprek te komen. Hij reageert veelal vanuit boosheid, onbegrip, achterdocht en het gevoel onrechtvaardig behandeld te worden. De Raad kan zich voorstellen dat het gemis van zijn dochter bij de man voor emoties zorgt, maar zijn gedrag is dusdanig extreem dat het een oplossing in de weg staat. De Raad ziet een grote discrepantie bij de man tussen enerzijds het roepen om hulp en de boosheid over het gebrek aan contact met [minderjarige] en anderzijds het afhouden en niet benutten van aangeboden hulp gedurende een periode van meerdere jaren. De Raad is bezorgt dat de man na erkenning meer onrust en ophef zal veroorzaken met zijn gedrag en uitspraken. De man is richting professionals ongefilterd en enigszins overweldigend in zijn boosheid en gedrag, waardoor de Raad inschat dat hij dit ook richting de moeder zal zijn. De moeder – die al kwetsbaar is – zal hierdoor psychisch ernstig uit balans raken, waardoor zij [minderjarige] niet meer de stabiele omgeving kan bieden die een kind nodig heeft. Op de zitting heeft de bijzondere curator aangegeven dat de Raad bang is dat de erkenning van [minderjarige] door de man er voor zorgt dat de man meer rechten denkt te hebben dan hij daadwerkelijk heeft en dat hij dus meer verzoeken zal indienen. De bijzondere curator deelt deze zorgen niet. De zorgen in de relatie tussen partijen, die de bijzondere curator ook ziet, hebben vooral betrekking op omgang tussen de man en [minderjarige] . Wat de bijzondere curator van belang acht is dat de Raad merkt dat de man niet meewerkt aan begeleiding vanuit hulpverlenende instanties en dat de moeder meer rust en stabiliteit nodig heeft om het leven van [minderjarige] op orde te brengen. Dat levert volgens de bijzondere curator een spanningsveld op, dat het verzoek van de man in een ander daglicht stelt. De bijzondere curator kan zich daarom vinden in het advies van de Raad, hoewel zij het ingrijpend vindt voor de man en [minderjarige] dat de man niet op de geboorteakte geregistreerd wordt. Zij vindt het lastig om aan het voorgaande een harde conclusie te verbinden en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De moeder refereert zich aan het advies van de Raad en verzoekt het verzoek van de man af te wijzen. De man handhaaft zijn verzoek. Hij geeft aan dat onvoldoende is aangetoond dat [minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling indien de vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend. De rust en stabiliteit binnen het gezin van de moeder wordt volgens de man niet anders na erkenning. Oordeel van de rechtbank Uit het raadsrapport volgt dat de man niet openstaat voor uitleg van hulpverleningsinstanties over de rechten en verplichtingen van een juridische ouder na erkenning. Hij reageert ongefilterd en boos als hulpverleningsinstanties hem hierover wensen te informeren. De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat het aannemelijk is dat de man na erkenning vergelijkbaar zal reageren op de moeder. De moeder is al kwetsbaar en zal hierdoor psychisch uit balans raken. Er is sprake van een reëel risico dat [minderjarige] door de psychische onrust van de moeder wordt belemmerd in haar evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Door de erkenning van [minderjarige] door de man op dit moment ontstaat naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbaar risico dat de moeder niet in staat is om [minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. De schade die dit voor [minderjarige] kan opleveren, weegt zwaarder dan het belang van [minderjarige] en de man bij erkenning van hun familierechtelijke betrekking. Daarom zal de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van de man afwijzen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij advies zal inwinnen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: het CJG) over de benodigde statusvoorlichting aan [minderjarige] . Net als de Raad acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij middels statusvoorlichting wordt geïnformeerd over wie haar vader is. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder hiertoe over zal gaan. Beëindiging taak bijzondere curator Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd. Omgangs- en informatieregeling De man verzoekt dat de rechtbank een omgangsregeling vaststelt die zij juist acht. Daarnaast heeft de man op de zitting zijn verzoek aangevuld en verzocht dat de moeder hem informeert over [minderjarige] door hem informatie en foto’s te sturen. Wettelijk kader Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ten aanzien van de informatieregeling geldt dat artikel 1:377b BW bepaalt dat de ouder die met het gezag is belast, gehouden is om de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Oordeel van de rechtbank Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen worden afgewezen. Hij zal dus niet de juridische ouder van [minderjarige] zijn. Hoewel ook de biologische ouder die het kind niet heeft erkend een omgangsregeling of informatieregeling kan verzoeken, dient in dat geval wel gemotiveerd gesteld te worden dat er een nauwe persoonlijke betrekking is. Omstandigheden waaruit opgemaakt kan worden dat voor en/of na de geboorte van [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan zijn niet gesteld of gebleken. De man heeft feitelijk geen contact met [minderjarige] gehad. De verzoeken van de man om een omgangsregeling en een informatieregeling vast te stellen worden daarom afgewezen. Het zelfstandige verzoek van de moeder over eventuele begeleide omgang wordt gezien het voorgaande ook afgewezen. Ondanks het voorgaande heeft de moeder op de zitting aangegeven dat zij ook advies zal inwinnen bij het CJG over een wijze waarop zij de man kan informeren over [minderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder zich aan deze toezegging zal houden. Wellicht ten overvloede wenst de rechtbank het advies van de Raad aan de man op de zitting te benadrukken dat het van belang is dat hij zich openstelt voor het advies en de begeleiding van hulpverlenende instanties. Indien de man zich in de toekomst meer begeleidbaar opstelt ontstaat er wellicht ruimte voor vervangende toestemming erkenning en (begeleide) omgang. Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beoordeling De rechtbank: wijst alle verzoeken af; beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd voor deze procedure; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.M. Lokhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 mei 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.