RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Gravenhage MP/bc Zaaknummer: 11245984 \ RL EXPL 24-14800 Vonnis in kort geding van 26 september 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. J. Marges, tegen [gedaagde] , HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam], te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: M. Korkmaz. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de in het geding gebrachte producties. 1.
- Op 5 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. J. Marges. Daarnaast is [gedaagde] verschenen, bijgestaan door mr. N. Korkmaz. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. De zaak is vervolgens tot 12 september 2024 aangehouden voor akte uitlating voortprocederen. Per e-mail van 13 september 2024 heeft mr. J. Marges vonnis gevraagd. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.
- [eiser] werkt sinds september 2023 als steigerbouwer bij [gedaagde] . Partijen hebben de arbeidsovereenkomst niet op schrift gezet. 2.
- [gedaagde] heeft bij brief van 5 juli 2024, voor zo ver relevant, het volgende naar [eiser] gestuurd: “(…) Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus
- (…)” 2.
- [eiser] heeft zich op 7 juli 2024 ziekgemeld vanwege rugklachten. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert, bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot: betaling aan [eiser] van een bedrag van € 630,00 netto per week met ingang van 8 juli 2024 tot het moment van rechtsgeldige beeindiging van het dienstverband; betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.165,50 netto aan vakantietoeslag; betaling aan [eiser] van een bedrag van € 9.776,00 netto ter zake van achterstallig loon tot 7 juli 2024; betaling aan [eiser] van de maximale wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 BW; het verstrekken van de loonstroken over de periode september 2023 t/m december 2023, de maanden januari, februari en juni 2024, alsmede de jaaropgave 2023, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag. 3.
- Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat sprake is van een abreidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond waarvan hij rechts heeft op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte. Op grond de CAO Bouw en Infra heeft hij recht op 100% van zijn loon over het eerste ziektejaar. Het loon van [eiser] bedraagt, zoals bij aanvang van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is afgesproken, € 630,00 per week. Naast het loon vanaf 8 juli 2024 vordert [eiser] ook het achterstallige loon vanaf aanvang dienstverband, te weten een bedrag van € 9.776,00 netto, alsmede de vakantietoeslag over de periode 18 september 2023 tot en met 31 mei
- Over de hiervoor genoemde bedragen vordert [eiser] eveneens de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. 3.
- [gedaagde] voert verweer. Primair stelt [gedaagde] dat [eiser] , vanwege een overeengekomen nul-uren contract, geen recht heeft op loondoorbetaling bij ziekte. Subsidiair stelt [gedaagde] dat de uitzendarbeidsovereenkomst (fase A) door opzegging op 4 augustus 2024 is geëindigd, zodat hij slechts tot die tijd loon is verschuldigd. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat de arbeidsovereenkomst op 17 september 2024 is geëindigd. [gedaagde] betwist dat hij met [eiser] een vast weekloon van € 630,00 netto is overeengekomen. Indien [eiser] nog recht heeft op enige vorm van loondoorbetaling dient het gemiddelde loon van de laatste dertien weken voorafgaand aan de ziekmelding als uitgangspunt te worden genomen. Dit komt neer op een bedrag van € 387,38 netto per week, aldus [gedaagde] . Tot slot voert [gedaagde] aan dat de vakantietoeslag is inbegrepen in het loon, zodat [eiser] daar geen aanspraak meer op kan maken. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat in de onderhavige procedure de juridische positie van partijen dusdanig onduidelijk is, dat er onvoldoende grond bestaat thans bij wijze van voorlopige voorziening te oordelen dat thans nog sprake is van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan [eiser] nog recht kan doen gelden op doorbetaling van loon tijdens ziekte. De rechtsverhouding is, nu een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontbreekt, in het kader van dit kort geding, zowel wat betreft het bestaan en de aard van de arbeidsovereenkomst, als ook met betrekking tot de hoogte van het salaris, onvoldoende duidelijk. Partijen hebben immers niets schriftelijk vastgelegd. Het enige wat in deze procedure is overgelegd is een werkgeversverklaring. Op zichzelf is de in het geding gebrachte werkgeversverklaring echter onvoldoende om conclusies aan te kunnen verbinden met betrekking tot het bestaan, de aard en omvang van de arbeidsovereenkomst alsmede de hoogte van het salaris. 4.
- Als gevolg van de discussie tussen partijen over het (voort)bestaan van de overeenkomst, de aard van de overeenkomst, de arbeidsomvang en hoogte van loon is in dit kort geding thans onvoldoende aannemelijk geworden dat de loonvordering van [eiser] in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Het kort geding leent zich naar zijn aard niet voor nadere bewijslevering, zodat de loonvordering en de daarmee samenhangende vorderingen in dit kort geding niet toewijsbaar zijn. 4.
- [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 678,00 5De beslissing De kantonrechter 5.
- wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. O. van der Burg en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2024.