uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL24.40783 en NL24.40784 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eisers (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 augustus 2024 (zaaknummers NL24.26826 en NL24.26827). In die uitspraak staat dat verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak besluiten bekend moet maken op de aanvragen van eisers. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat verweerder één maal een dwangsom van € 200,- aan eisers gezamenlijk verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum € 15.000,-. Eisers stellen nu beroep in, omdat verweerder die besluiten nog niet heeft genomen. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
- Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
- Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 21 augustus 2024 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.3
- Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb. Is het beroep van eisers ontvankelijk en gegrond?
- Eisers hebben de aanvragen ingediend op 19 juli
- Eisers hebben de derde beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op deze aanvragen ingesteld op 18 oktober 2024, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.4 Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank verweerder op?
- De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog besluiten te nemen.5 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
- Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Hij heeft na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 augustus 2024 ook geen (kenbare) actie ondernomen. Verder is inmiddels de bovengrens van 21 maanden, waarbinnen verweerder dient te beslissen op asielaanvragen, overschreden. De rechtbank overweegt dat deze termijn ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere termijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere termijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.7 De omstandigheid dat de 21 maandentermijn is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. De rechtbank stelt verder vast dat de dwangsom, zoals vastgesteld in de genoemde uitspraak van 21 augustus 2024, volloopt op 31 december
- Gelet op dit alles bepaalt de rechtbank dat verweerder nu uiterlijk op 31 december 2024 moet beslissen op de aanvragen van eisers. Legt de rechtbank verweerder een dwangsom op?
- In artikel 8:55d, tweede lid, en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter verweerder opdraagt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom verbindt. Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Door deze Tijdelijke wet werd het voor de bestuursrechter niet meer mogelijk om een dwangsom op te leggen in een asielzaak. De ABRvS heeft echter in de uitspraak van 30 november 20228 geoordeeld dat genoemd artikel uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend is. Dit betekent dat de twee artikelen uit de Awb wel van toepassing zijn op asielaanvragen voor bepaalde tijd en de rechtbank verweerder dus op grond van die artikelen opdraagt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom verbindt.9
- Gelet op de al lopende dwangsom vastgesteld in de uitspraak van 21 augustus 2024, zal verweerder per 1 januari 2025 een nieuwe dwangsom van € 200,- moeten betalen voor elke dag waarmee de in de onderhavige uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder.10 Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 4 ABRvS 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- 5 Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. 6 Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb 7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
- 8 ECLI:NL:RVS:2022:
- 9 Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, en/of artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.
- Uit de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 202011 volgt dat aanvragen zodanig inhoudelijk met elkaar kunnen samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17, eerste lid, en artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat een bestuursorgaan slechts één dwangsom kan verbeuren. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van een zodanige inhoudelijke samenhang. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder één maal een dwangsom kan verbeuren. Conclusie en gevolgen
- De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat verweerder uiterlijk op 31 december 2024 alsnog de besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
- Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen de beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten; draagt verweerder op om uiterlijk op 31 december 2024 alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eisers gezamenlijk één maal een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 437,50, toe te kennen in de zaak met nummer NL24.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van I. Abdilahi, griffier. 10 Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 november 2024 Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.