RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/7085 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen erven van [naam] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigden: A.M.H. Hogervorst en A.F. van Hecke), en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over het jaar 2021 en de daarop gebaseerde terugvorderingen van wijlen [naam] . 1.
- Met het primaire besluit van 14 juli 2023 heeft verweerder de zorg- en huurtoeslag over het jaar 2021 herzien en definitief berekend. De zorgtoeslag is vastgesteld op € 1.091 en de huurtoeslag op € 2.
- Daarbij is bepaald dat € 204 aan zorgtoeslag en € 1.599 aan huurtoeslag wordt teruggevorderd. 1.
- Met het bestreden besluit van 7 september 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder daarbij gebleven. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Met dagtekening van 28 december 2020 is op basis van een geschat inkomen van € 17.848 aan [naam] voor het jaar 2021 € 1.287 aan zorgtoeslag en € 4.289 aan huurtoeslag verleend. 2.
- Met dagtekening van 23 juni 2021 heeft verweerder aan [naam] medegedeeld dat haar toeslagen voor het jaar 2021 opnieuw zijn berekend, omdat haar inkomen opnieuw is geschat op € 19.
- De zorgtoeslag blijft € 1.
- De huurtoeslag wordt € 4.
- 2.
- Met de definitieve berekening van 2 september 2022 is de zorgtoeslag vastgesteld op € 1.287 en de huurtoeslag op € 3.
- Er wordt € 154 huurtoeslag teruggevorderd. Hierbij is uitgegaan van een jaarinkomen van € 19.
- 2.
- Vervolgens heeft verweerder nieuwe gegevens ontvangen. Wijlen [naam] haar jaarinkomen voor 2021 is vastgesteld op € 23.
- De definitief berekende zorgtoeslag wordt aangepast naar € 1.
- Er wordt daarom een bedrag van € 204 teruggevorderd. De definitief berekende huurtoeslag over het jaar 2021 wordt aangepast naar € 2.
- Er moet daarom een bedrag van € 1.599 worden terugbetaald. 2.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat de toeslagen over het jaar 2021 moeten worden terugbetaald. Dat eisers bij de inspecteur van de Belastingdienst bezwaar hebben gemaakt tegen de gegevens uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) doet hier niet aan af, omdat de inspecteur (nog) geen nieuwe gegevens heeft geregistreerd in de BRI. Verweerder moet daarom uitgaan van de gegevens geregistreerd in de BRI. Mocht het inkomen of vermogen van wijlen [naam] worden aangepast en dit gevolgen hebben voor de toeslag dan krijgen eisers een nieuwe definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over het jaar
- Wat vinden eisers in beroep?
- Eisers vinden dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond kon worden verklaard, omdat daar geen grondslag voor is. Verweerder heeft ten onrechte de definitieve berekeningen huur- en zorgtoeslag over het jaar 2021 herzien. Er loopt namelijk nog steeds een procedure tegen de inkomstenbelasting
- Tot slot heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- Het recht op toeslagen en de hoogte daarvan is afhankelijk van de draagkracht van wijlen [naam] . Verweerder dient bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van de inkomensgegevens van wijlen [naam] zoals die door de inspecteur van de inkomstenbelasting zijn vastgelegd in de BRI. Van deze inkomensgegevens kan verweerder bij het berekenen van toeslagen niet afwijken. Verweerder is dus voor de zorg- en huurtoeslag voor het jaar 2021 terecht uitgegaan van het in de BRI geregistreerde inkomensgegeven. Omdat wijlen [naam] door dat inkomensgegeven niet in aanmerking komt voor het (volledig) eerder toegekende voorschot zorg- en huurtoeslag, heeft verweerder de eerder toegekende toeslagen terecht herzien. 4.
- Eisers zijn het niet eens met het in de BRI vastgestelde inkomensgegeven. Zij hebben zich hiervoor tot de inspecteur van de inkomstenbelasting gewend. Verweerder hoeft echter niet met herziening te wachten tot het inkomensgegeven onherroepelijk is geworden. Zoals verweerder ook naar voren heeft gebracht, is verweerder op grond van artikel 20 van de Awir verplicht om een definitieve berekening van de toeslagen te herzien als er een wijziging van een inkomensgegeven heeft plaatsgevonden. 4.
- De rechtbank is gelet op het voorgaande daarom van oordeel dat verweerder terecht het inkomensgegeven zoals dit door de inspecteur is doorgegeven heeft gebruikt voor de definitieve berekening huur- en zorgtoeslag over het jaar
- 4.
- Het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan verweerder afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen. In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Uitgangspunt is dat dit op zichzelf niet tot een matiging van de terugvordering leidt. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die - op zichzelf of in samenhang - wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging toch reden zijn de terugvordering te matigen. 4.
- De omstandigheid dat bij de definitieve berekening gebruik is gemaakt van een inkomensgegeven uit de BRI dat is gebaseerd op een voorlopige aanslag inkomstenbelasting maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de terugvordering onevenredig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij een wijziging van het inkomensgegeven in de BRI voor zover dat van invloed is op de hoogte van de huurtoeslag, verweerder overgaat tot herziening van het recht op huurtoeslag en daarmee ook tot aanpassing van de terugvordering. Op het moment dat bezwaar wordt gemaakt tegen de vaststelling van de inkomstenbelasting, wordt uitstel van betaling verleend in het geval er sprake is van een terugvordering. Dit is ook in dit geval gebeurd. Met verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot afzien van terugvordering dan wel het matigen van de terugvordering. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eisers onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 4.
- Verweerder heeft gelet op het voorgaande het onverschuldigd uitbetaalde voorschot in zijn geheel bij eisers mogen terugvorderen. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden, omdat verweerder op basis van alle beschikbare informatie die hij ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, niet tot een andere beslissing had kunnen komen, omdat hij is gehouden de gegevens zoals vastgesteld in de BRI te volgen. Op de zitting zijn geen nieuwe dingen naar voren gekomen die dit anders maken. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 december
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 7, eerste lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Artikel 21, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
- Artikel 26, tweede lid, van de Awir. Het Verzamelbesluit Toeslagen. Op grond van artikel 20 van de Awir.