← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23682

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 23/8745 (beroep) en AWB 23/8746 (voorlopige voorziening ) tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 30 april 2024 in de zaak tussen [eiser] , eiser/verzoeker, V-nummer: [v-nummer 1] en [eiseres] , eiseres/verzoekster, V-nummer: [v-nummer 2] hierna gezamenlijk: eisers (gemachtigde: mr. T.O. Sohansingh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. M. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst). Procesverloop Bij besluit van 12 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (referente)” afgewezen. Bij besluit van 2 mei 2022 en aanvullend besluit van 18 oktober 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen die besluiten gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij besluit van 12 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eisers zo spoedig mogelijk naar Nederland kunnen reizen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari

  1. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eisers, [naam 1] en [naam 2] met hun partners en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Overwegingen
  2. Eiser is geboren op [datum 1]
  3. Eiseres is geboren op [datum 2]
  4. Zij hadden bij de geboorte de Nederlandse nationaliteit, maar hebben sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 de Surinaamse nationaliteit. Eisers hebben op 23 juli 2021 een aanvraag ingediend voor verblijf bij hun dochter [referente] (referente), geboren op [datum 3] 1977, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Bij hun aanvraag hebben eisers toegelicht dat hun gezondheidstoestand verslechtert, en zij daarom hun laatste levensfase bij referente en bij hun andere dochter [naam 2] door wensen te brengen. Primaire besluit
  5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat tussen eisers en referente geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie (‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’). Daarom hoeft verweerder geen verblijf toe te staan aan eisers op grond van artikel 8 van het EVRM. Bezwaar
  6. Eisers hebben bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is referente gehoord. Eisers hebben verder hun bezwaar aangevuld met: - een verklaring van de huisarts van eiser, van 28 oktober 2021; - correspondentie tussen referente en de cardioloog van eiser; - whatsapp-contact tussen referente en de fysiotherapeut van eiser; - mail- en whatsapp-contact tussen referente en collega’s; - een toelichting van referente; - mailcontact tussen referente en het consulaat van Suriname; - een aanvraag en afwijzing van een visum kort verblijf voor eiser; en - een overzicht van reisbezoeken van eisers aan referente en andersom tussen 2006 en
  7. Besluit op bezwaar en beroep
  8. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 2 mei 2022 en aanvullend besluit van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard. Het beroep dat hiertegen door eisers is ingesteld is gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Hierbij heeft hij niet alle feiten en omstandigheden betrokken zoals het feit dat eiseres lijdt aan een ernstige depressieve episode en hulpbehoevend is en dat de kans dat eiseres op korte termijn decompenseert reëel is. De verklaringen van referente zijn niet betrokken, zoals de verklaringdat eiseres zeventien verschillende soorten medicatie gebruikt en dat referente haar dagelijks belt voor het nemen van deze medicatie. Referente heeft daarbij verklaard dat zij eiseres op afstand ertoe moest bewegen om met eiser naar de eerste hulp te gaan toen hij pijnaanvallen kreeg. Referente heeft onderbouwd dat zij contact onderhoudt met alle hulpverleners van eisers. Uit de stukken is gebleken dat eiser optrad als mantelzorger voor eiseres, maar dat dit door de recente hart- en mobiliteitsproblemen van eiser niet langer mogelijk is. De rechtbank is in die uitspraak verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers met hun uitgebreide toelichting en verklaringen tijdens de hoorzitting de gezinssituatie onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Verweerder dient nader te motiveren waarom geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referente. Ook oordeelt de rechtbank in die uitspraak dat de belangenafweging onjuist is omdat verweerder niet heeft meegewogen dat eisers de Nederlandse nationaliteit hebben gehad en groot gewicht toekomt aan het feit dat hun positie niet simpelweg vergelijkbaar is met die van vreemdelingen die nooit de Nederlandse nationaliteit hebben gehad (arrest Jeunesse).
  9. In het bestreden besluit concludeert verweerder wederom dat er tussen eisers en referente geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Daarbij betrekt hij dat referente ruim 16 jaar niet met haar ouders heeft samengewoond. Referente woont al sinds 8 september 2005 in Nederland en het was een bewuste keuze om eisers achter te laten. Referente kon voorzien dat er een moment zou komen dat haar ouders hulpbehoevend zouden worden. Niet in geschil is dat eisers hulpbehoevend zijn. Niet is gebleken dat de zorg door referente moet geschieden en niet aangetoond is dat deze zorg niet door andere familieleden, buren of andere derden kan worden verricht en niet reeds wordt verricht. Eisers hebben sociaal contact met de buren, er komt een man langs die de boomgaard bijhoudt en er wonen een broer en zus van eiseres in Paramaribo. Referente heeft niet aangetoond dat eiser op jonge leeftijd is geadopteerd en er geen contact meer is met zijn biologische ouders en/of broers en zussen of adoptiefamilie. Eisers hebben niet aangetoond dat zij niet in aanmerking komen voor een plek in het bejaardentehuis, thuiszorg, een particuliere instelling of mantelzorgers. Eisers zijn altijd naar artsen en behandelingen gegaan (operaties, medicijnen, ingrepen). Niet is aangetoond dat eisers exclusief afhankelijk zijn van referente en haar zus. Niet is gebleken dat eisers de financiële (€ 200,- per maand) of materiële steun (2 tot 3 keer per jaar pakketten met etenswaren) nodig hebben om zich staande te kunnen houden. De banden van eisers met Suriname zijn groter dan de banden met Nederland omdat eisers daar zijn geboren en meer dan 60 jaar in dat land gewoond hebben. 5.1 De belangenafweging valt volgens verweerder in het nadeel van eisers uit. Daarbij heeft verweerder het volgende in het nadeel betrokken: - er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referente en eisers; - er geldt voor ouders en hun meerderjarige kinderen een restrictief toelatingskader; - eiseres hebben er bewust voor gekozen om de Surinaamse nationaliteit aan te nemen in 1975 en om niet naar Nederland te emigreren; - het gaat om een eerste toelating. Zij hebben nooit in Nederland gewoond en hebben sinds 1975 nooit een Nederlandse verblijfsvergunning gehad; - het arrest Jeunesse is niet dezelfde situatie; - ook als eisers in Nederland een zorgverzekering afsluiten, zullen de zorgkosten grotendeels worden afgewenteld op de Nederlandse samenleving; - het is van algemene bekendheid dat de huisvesting, verpleegzorg en andere medische zorg voor ouderen in Nederland al langere tijd onder druk staan; - het is niet aannemelijk dat referente alle zorg op zich kan nemen; referente heeft een baan van 40 uur maar vanwege de werkdruk in combinatie met de stress over eisers heeft zij zich ziek gemeld; - referente en eisers hebben feitelijk gezien al meer dan 15 jaar niet meer met elkaar samengewoond; - er is geen sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen; - referente heeft tot en met 19 juni 2014 de Surinaamse nationaliteit gehad en heeft 28 jaar in Suriname gewoond. De beroepsgronden van eisers
  10. Eiseres voeren aan dat wel sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat het een bewuste keuze van referente was om Suriname te verlaten en naar Nederland te vertrekken. De situatie waarin eisers nu verkeren was toen niet te voorzien. Toen referente Suriname verliet bevonden eisers zich niet in de medische toestand waarin zij nu verkeren. Referent monitort door middel van Facetime dagelijks het leven van eisers (juiste pillen innemen, op tijd eten en dagelijkse noodzakelijkheden). Er is een gebrek aan inzicht aan de kant van verweerder, bijvoorbeeld over de culturele band in Suriname met ouders. Referente wil zelf voor haar ouders in Nederland zorgen (dagelijks leven begeleiden en monitoren) en gevreesd wordt voor fouten en ongelukken. Verweerder werpt in het besluit onredelijke elementen tegen en beoordeelt willekeurig, bijvoorbeeld bij de rolstoel, de veronderstelling van verweerder dat de zorgvoorzieningen in Suriname goed zijn en de sociale contacten die zij in Suriname zouden hebben. Eisers hebben een verklaring van de verzorger van de boomgaard, een verklaring van hun woonsituatie en diverse andere verklaringen van buren en referente overgelegd. Referente en haar zus kunnen voor eisers zorgen in Nederland, al dan niet met particulier ingehuurde krachten. Als er ergens plaats was en er een particuliere instelling in Suriname bestond, dan hadden zij dat geregeld. De kwaliteit van het verplegend personeel in Suriname is afgenomen doordat veel personeel naar Nederland vertrekt. Eisers hebben er alles aan gedaan om mantelzorgers/externe krachten in te huren. Zij hebben niet de financiële middelen. Eisers kunnen niet werken en hebben referente en haar zus hard nodig voor de financiële ondersteuning. De afhankelijkheid van eisers van referente is groot en zal toenemen. Verweerder weigert de bijkomende elementen van afhankelijkheid in onderlinge samenhang te bezien.
  11. Ten aanzien van de belangenafweging voeren zij het volgende aan. Met betrekking tot het economische belang voeren eisers aan dat door aanwezigheid van ouders in Nederland er juist werkgelegenheid wordt gecreëerd, omdat zij particuliere zorg zullen inkopen. Onweersproken is dat eiseres en haar familie over meer dan voldoende eigen middelen beschikken voor de kost en inwoning. Onvoldoende door verweerder is afgewogen dat hun dochters financieel in staat zijn om de ouders te onderhouden. Verhuizen van referente en haar zus naar Suriname is een te zware belasting en kan in alle redelijkheid niet van hen worden verwacht. Zij hebben hier in Nederland kinderen, een baan en een onderneming. De binding met Nederland hebben eisers omdat zij de taal spreken en Nederlands onderwijs hebben gekregen. Eisers voeren tot slot aan dat verweerder buiten de door de rechtbank opgedragen termijn opnieuw heeft beslist en dat zij ten onrechte niet (opnieuw) zijn gehoord waarbij is gevraagd hoe de situatie op dit moment is. Het oordeel van de rechtbank Is tussen eisers en referente sprake van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie?
  12. Aan de orde is de vraag of tussen eisers en referente sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Volgens het EHRM kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familieleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. 8.1 Uit de hierboven genoemde rechtspraak van het EHRM volgt dat moet worden beoordeeld of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het al dan niet bestaan van exclusieve afhankelijkheid van eisers van referente mag dus niet van doorslaggevend belang zijn. 8.2 In de uitspraak van 22 maart 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder destijds niet alle feiten en omstandigheden en overgelegde stukken had betrokken in zijn besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit nu wel voldoende heeft gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit van 12 juli 2023 (weer) niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en hun dochters. Daarbij staat voor de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers medische problemen hebben en dat zij beiden hulpbehoevend zijn. Referente heeft aannemelijk gemaakt dat eisers worden ondersteund door hun dochters in hun levensonderhoud, financiën en medische omstandigheden. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat er geruime tijd geen sprake meer is van samenwoning. Maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende de overige omstandigheden betrokken bij de vaststelling of er sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Zo heeft referente uitgebreid, hetgeen ook in de eerdere uitspraak van 22 maart 2023 door de rechtbank is geoordeeld, toegelicht dat zij geen contact hebben met familieleden en dat er een afstand is omdat eiser geadopteerd is. Referente verklaart ook nu weer dat zij en haar zus ieder al twee keer naar Suriname zijn gereisd, dat referente dagelijks met eisers contact legt via Facetime om hun medicatie-inname te controleren en er geen andere vrienden of familie in de buurt zijn om aan eisers zorg te verlenen. Op de hoorzitting heeft referente duidelijk verklaard dat eisers in een sociaal isolement verkeren en er tevergeefs inspanningen zijn gedaan om passende hulp te zoeken. Door eisers is onderbouwd dat er geen verzorgingsinstellingen in de buurt zijn omdat zij op een afgelegen plek wonen, waaronder een verklaring van het bejaardentehuis in Nickerie waaruit blijkt dat eisers daar niet terecht kunnen. Ook hebben eisers een schriftelijke verklaring van de man die de boomgaard onderhoudt en verklaringen van de buren en familie overgelegd, waarmee zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij de zorg voor eisers niet verlenen of kunnen verlenen. Het feit dat zij af en toe sociaal contact met hun buren hebben en af en toe bezoek krijgen van een man die de boomgaard bijhoudt, is volgens de rechtbank onvoldoende om daaruit te concluderen dat die mensen ook de zorg voor eisers kunnen (gaan) verlenen. Dat eisers en referente al voor langere tijd niet samenwonen en eisers al hun hele leven in Suriname wonen, doet er volgens de rechtbank niet aan af dat eisers na verloop van tijd hulpbehoevend zijn geworden en afhankelijk(er) zijn geworden van hun dochters. Dit is door verweerder onvoldoende erkend. Het besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Conclusie en de gevolgen
  13. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Omdat er al sprake is geweest van een eerder gegrond beroep, ziet rechtbank, mede gelet op een finale geschillenbeslechting, aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. 9.1 Dat herstellen kan plaatsvinden door middel van een aanvullende motivering - met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak - in een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met de intrekking van het bestreden besluit. 9.2 Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, en om onnodige vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als verweerder gebruik maakt van deze gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep, ook in de situatie dat verweerder de herstelmogelijkheid ongebruikt laat. 9.3 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit geldt ook voor een beslissing over de gronden ten aanzien van de belangafweging en voor het verzoek om de voorlopige voorziening, de proceskosten en het griffierecht. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. De voorzieningenrechter: - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg Wijnaldum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april
  14. griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Coll: RechtsmiddelTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Zaaknummer: AWB 22/
  15. Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, Jeunesse t. Nederland. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zie bijvoorbeeld het arrest van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/
  16. Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/
  17. Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/
  18. Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/
  19. Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/
  20. Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.