RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/7461 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: D. van der Locht), en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de heffingsambtenaar van 26 september 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Den Haag (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2023 is vastgesteld op € 275.000 (de beschikking). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november
- Belanghebbende en diens gemachtigde zijn, zonder voorafgaande aankondiging, niet verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 202.
- Daartoe voert hij in beroep geen stellingen of bewijzen aan. Belanghebbende stelt alleen dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet alle benodigde stukken aan belanghebbende toe te zenden en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.
- De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag en een matrix overgelegd en een screenshot van het online portal waarin de verzochte stukken voor de uitspraak op bezwaar waren geüpload, waar de gemachtigde van belanghebbende toegang toe heeft. Informatieverstrekking in de bezwaarfase
- De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uitleg die aan artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ moet worden gegeven ertoe strekt dat indien belanghebbende aan de heffingsambtenaar een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde (zoals taxatieverslag, grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning en van de gebruikte vergelijkingsobjecten), de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ gehouden is te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat onder verstrekken dient te worden verstaan het op papier toezenden van die gegevens, maar verstrekking kan tevens plaatsvinden langs digitale weg door het toezenden via e-mail of een andere wijze van digitale communicatie, daaronder begrepen het toegang verlenen tot een digitale omgeving.
- Uit de stukken leidt de rechtbank af dat in het te beslechten geschil de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende toegang heeft verschaft tot een online portaal waarin in de maanden voor de uitspraak op bezwaar verschillende documenten (waaronder het taxatieverslag) met daarin alle door belanghebbende verzochte gegevens zijn opgenomen. Uit deze gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank de grondstaffel en de correctiepercentages van de KOUDV-factoren tussen de woning en de vergelijkingsobjecten af te leiden. Ook de toegepaste indexering is daaruit af te leiden. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aan het verzoek van belanghebbende heeft voldaan. De waarde van de woning
- Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
- De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten, waarvan drie in dezelfde straat zijn gelegen, goed vergelijkbaar met de woning. De rechtbank heeft daarbij geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar aan de woning en de vergelijkingsobjecten toegekende objectkenmerken, dan wel de aan die objectkenmerken toegekende KOUDV+L-factoren en de wijze waarop aan de hand daarvan de waarde is herleid. Met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waaronder de gebruiksoppervlakte, de voorzieningen, het onderhoud en de kwaliteit, heeft de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening gehouden. De rechtbank acht daarmee aannemelijk gemaakt dat de door de heffingsambtenaar bepleite waarde niet te hoog is.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld. Motivering uitspraak op bezwaar
- Van een door belanghebbende gesteld motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar is de rechtbank niet gebleken. Uit de uitspraak op bezwaar wordt voldoende duidelijk op welke gronden de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen. Ook overigens is expliciet gereageerd op de grieven die belanghebbende in het bezwaarschrift tegen de beschikking heeft aangevoerd. Conclusie
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van B.A.P. Frieling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052 Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44