← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23733

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/3219 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; afdeling bezwaar en beroep, het UWV (gemachtigde: J.S. de Vreeze). Inleiding Het UWV heeft met het besluit van 27 november 2023 (het primaire besluit) de aanvraag van eiseres om een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW) afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank

  1. Aan het bestreden besluit ging het volgende vooraf.
  2. Eiseres is op 28 maart 2022 als schoonmaakster in dienst getreden bij [bedrijf] B.V. (werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is in eerste instantie aangegaan voor de duur van 7 maanden en liep dus tot 28 oktober
  3. Deze is vervolgens stilzwijgend verlengd met 5 maanden tot 28 maart 2023 en daarna nog een keer met 12 maanden tot 28 maart
  4. Op 31 juli 2023 heeft eiseres zich bij haar werkgever ziekgemeld.
  5. Op 28 september 2023 heeft de werkgever eiseres schriftelijk laten weten de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, zodat deze zou eindigen op 29 oktober
  6. De werkgever heeft eiseres na deze datum ook niet meer uitbetaald.
  7. Eiseres heeft vervolgens op 11 november 2023 bij het UWV een aanvraag gedaan voor een ZW-uitkering. Met het primaire besluit heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres met haar werkgever een arbeidsovereenkomst heeft tot 28 maart 2024 en de werkgever volgens het UWV tot die datum een loondoorbetalingsverplichting bij ziekte heeft. Wat oordeelt de rechtbank?
  8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar beroep. Ter zitting is namelijk gebleken dat het UWV naar aanleiding van een nieuwe aanvraag de ZW-uitkering alsnog met terugwerkende kracht per 30 oktober 2023 aan eiseres heeft toegekend.
  9. Uit vaste rechtspraak volgt dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiseres met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor haar feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een slechts formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
  10. De gemachtigde van het UWV heeft toegelicht dat de ZW-uitkering met een nieuw primair besluit aan eiseres is toegekend vanaf 30 oktober 2023 en dat deze uitkering in augustus 2024 volledig aan eiseres is nabetaald. Ook heeft de gemachtigde van het UWV ter zitting toegezegd het door eiseres voor deze beroepsprocedure betaalde griffierecht aan eiseres terug te betalen. Omdat eiseres hiermee al heeft ontvangen waar zij in deze zaak om heeft gevraagd, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit strekkende tot een afwijzing van de ZW-uitkering. De rechtbank heeft eiseres geen vragen kunnen stellen omtrent het procesbelang omdat aan de zijde van eiseres niemand is verschenen op de zitting. Conclusie en gevolgen
  11. Uit het voorgaande volgt dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
  12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december
  13. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2023, Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2023:2354.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.