RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.18471 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposant] , V-nummer: [v-nummer] , opposant (gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi). Inleiding
- Opposant heeft tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie (hierna: geopposeerde) van 25 april 2024 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.
- Bij uitspraak van 24 mei 2024 (hierna: de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
- Opposant heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingesteld. 3.
- De rechtbank heeft het verzet op 12 september 2024 op zitting behandeld. Opposant, zijn gemachtigde, de heer [naam] (gemachtigde van geopposeerde) en de heer M. Ermek (tolk) hebben aan deze zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Opposant stelt te zijn geboren [geboortedatum] 1979 en de Turkse nationaliteit te hebben. Geopposeerde heeft de asielaanvraag van opposant niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak geoordeeld?
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. Reden daarvoor is dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verder is niet gebleken dat de Oostenrijkse autoriteiten hun internationale verplichtingen jegens Dublinclaimanten niet nakomen of dat anderszins sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of asielopvangsysteem in Oostenrijk. Geopposeerde mocht daarom uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk. Geopposeerde heeft geen aanleiding hoeven zien om zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening te gebruiken. Wat vindt opposant in verzet?
- Opposant is het niet eens met de afdoening van de bestreden uitspraak en voert – kort samengevat – het volgende aan. Primair stelt opposant dat hij nooit in Oostenrijk is geweest, maar via Polen het gebied van de Europese Unie is binnengekomen. Oostenrijk is daarom niet de verantwoordelijke lidstaat voor het behandelen van zijn asielaanvraag. Subsidiair stelt opposant dat de termijn voor overdracht naar Oostenrijk al op 10 juli 2024 is verstreken en hij voor die datum niet is overgedragen. Tot slot verzoekt opposant om zijn persoonlijke omstandigheden te betrekken, te weten dat zijn vader vanwege een aanslag in het ziekenhuis heeft gelegen en dat het gezin van opposant aanzienlijk risico loopt op levensbedreigingen en bescherming nodig heeft. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de bestreden uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond kon worden verklaard zonder het houden van een zitting. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Als opposant met gegronde redenen kan onderbouwen dat de rechtbank deze zaak niet zonder zitting als ongegrond had mogen afdoen, kan het verzet gegrond verklaard worden. Aan de inhoudelijke bespreking van beroepsronden gericht tegen het bestreden besluit van geopposeerde komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
- De rechtbank geeft opposant in deze zaak geen gelijk. Hieronder motiveert de rechtbank hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
- De rechtbank stelt vast dat de overdrachtstermijn is verlengd. Opposant is hiermee bekend en heeft deze verzetsgrond ter zitting laten vallen. Verder heeft opposant ter zitting gesteld dat er geen aanslag is gepleegd op zijn familie. De personen op de foto’s die hij heeft overgelegd zijn hem niet bekend. Gelet daarop overweegt de rechtbank dat ook deze verzetsgrond komt te vervallen. Ten slotte heeft de gemachtigde van opposant ter zitting gesteld dat opposant niet betwist in Oostenrijk te zijn geweest, maar dat deze verzetsgrond zo begrepen moet worden dat hij nooit asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk.
- In wat opposant in verzet heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de bestreden uitspraak is gedaan, namelijk dat er over de uitkomst geen twijfel mogelijk is en er daarom geen zitting wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat de verzetsgrond die over is gebleven al in beroep is aangevoerd en dat de rechtbank daar in de bestreden uitspraak gemotiveerd op is ingegaan. Dat opposant het niet eens is met de inhoud van de uitspraak is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. Conclusie en gevolgen
- Het voorgaande betekent dat de buiten-zitting uitspraak in stand blijft. Het verzet is ongegrond.
- Opposant krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als geopposeerde. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 8:54 van de Awb.