← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:23782

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7471 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 december 2024 in de zaak tussen [verzoeker] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. N.M. Fakiri), en de burgemeester van Leidschendam-Voorburg, de burgemeester (gemachtigde: mr. J. dos Santos). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen afwijzing van zijn aanvragen om een drank- en horecavergunning (Alcoholwet vergunning), een aanwezigheidsvergunning en een exploitatievergunning. 1.
  2. De burgemeester heeft de aanvragen om een drank- en horecavergunning en een aanwezigheidsvergunning met de besluiten van 23 mei 2023 afgewezen. De aanvraag om een exploitatievergunning heeft de burgemeester met het besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling gelaten. Met het bestreden besluit van 29 september 2023 op het bezwaar van verzoeker is de burgemeester bij de afwijzing van de aanvragen gebleven en heeft hij de aanvraag om een exploitatievergunning alsnog in behandeling genomen en afgewezen. 1.
  3. Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. 1.
  4. De burgemeester heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen beroepsgronden had vermeld in het beroepschrift. Verzoeker is hiertegen in verzet gegaan. Het verzet is bij uitspraak van 3 september 2024 gegrond verklaard en de buiten-zittinguitspraak is komen te vervallen. De rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zittingsuitspraak werd gedaan. Op 13 september 2023 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 1.
  6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 oktober 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de verzoeken om een voorlopige voorziening met zaaknummers SGR 24/7467 en SGR 24/
  7. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de burgemeester in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verkrijgen over het tijdspad dat gemoeid is met het bibob-onderzoek, het advies van de politie over de gevolgen voor de leefomgeving en in het verlengde daarvan de te nemen beslissingen op bezwaar met inachtneming van het advies van de politie en de uitkomst van de bibob-toets. 1.
  8. De burgemeester heeft de gevraagde informatie verstrekt en verzoeker is vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd de verzoeken aan te houden totdat de burgemeester op de bezwaren heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester gevraagd om een reactie op het verzoek om aanhouding. De burgemeester heeft laten weten dat een spoedprocedure zich niet leent voor langdurige aanhouding. 1.
  9. De voorzieningenrechter heeft partijen op 3 december 2024 bericht dat zij geen aanleiding ziet om de behandeling van de verzoeken aan te houden zoals door de gemachtigde van verzoeker is gevraagd en dat zij voldoende informatie heeft om uitspraak te doen. In deze brief heeft zij meegedeeld dat een nadere zitting daarom achterwege zal worden gelaten, tenzij een van de partijen voor 9 december 2024 aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Omdat geen van de partijen binnen deze termijn heeft gereageerd heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en aan partijen meegedeeld dat zij vandaag uitspraak zal doen. 1.
  10. In de zaken met zaaknummers SGR 24/7467 en SGR 24/7486 doet de voorzieningenrechter afzonderlijk uitspraak. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2.
  11. Verzoeker is eigenaar van een eenmanszaak en wil een grand café exploiteren aan de [adres] in [plaats] . Op 28 maart 2023 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning, een drank- en horecavergunning (Alcoholwetvergunning) en een vergunning voor twee kansspelautomaten ten behoeve van de horeca-inrichting [bedrijfsnaam] . De burgemeester heeft de drank- en horecavergunning geweigerd omdat verzoeker volgens de burgemeester van slecht levensgedrag zou zijn. De burgemeester heeft zich op dit standpunt gesteld omdat verzoeker in 2019 tweemaal is veroordeeld tot een geldboete van € 500,- of meer wegens rijden onder invloed. Ook heeft de burgemeester de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten geweigerd. 2.
  12. Bij besluit van 1 juni 2023 is de aanvraag voor een exploitatievergunning buiten behandeling gelaten. Daarbij is overwogen dat er geen belang meer is bij een besluit op de aanvraag omdat de drank- en horecavergunning en de aanwezigheidsvergunning voor de kansspelautomaten al zijn geweigerd. 2.
  13. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard en is de aanvraag voor een exploitatievergunning alsnog geweigerd. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat de burgemeester ten onrechte niet is ingegaan op zijn bezwaar dat het bestreden besluit niet evenredig is. Wat vindt verzoeker? 3.
  14. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker nader toegelicht waarom hij het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag om een drank- en horecavergunning. Hij stelt dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom de feiten die hebben geleid tot afwijzing van de aanvraag (nog) relevant zijn voor de exploitatie van de horeca-inrichting. Hierbij stelt hij dat in ieder geval het feit dat waarvoor verzoeker buiten de vijfjaar-termijn onherroepelijk is veroordeeld niet als relevant feit kan gelden. 3.
  15. Ook stelt verzoeker dat er niet is voldaan aan het evidentiecriterium. De feiten die de burgemeester aan de weigering ten grondslag heeft gelegd dateren allen van voor de inwerkingtreding van het Alcoholbesluit. Verzoeker kon in maart en mei 2019, de maanden waarin de overtreding van de Wegenverkeerswet zijn begaan, niet weten dat zijn gedrag toen op grond van een later ingaande wet- regelgeving tot afwijzing van zijn aanvragen konden leiden. Hij kon zijn gedrag dan ook onmogelijk aanpassen aan de regelgeving die hem nu wordt tegengeworpen. De burgemeester kan zich daarom niet beroepen op artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder d, van het Alcoholbesluit. Daarnaast stelt verzoeker dat de feiten van zeer lang geleden zijn en het daarom onevenredig is om deze feiten nog aan hem tegen te werpen. 3.
  16. Verder stelt verzoeker dat de weigering hem een drank- en horecavergunning te verlenen in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat hij wordt beperkt in het uitvoeren van zijn beroepsactiviteiten. Verzoeker beroept zich hierbij op een aantal uitspraken van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. De inbreuk op artikel 8 van het ERVM is volgens verzoeker niet proportioneel gezien de lange terugkijktermijn. Hij heeft aantoonbaar verbeterd levensgedrag laten zien. De feiten betreffen oude feiten en zijn begaan onder zeer specifieke omstandigheden. 3.
  17. Verzoeker stelt tenslotte dat de burgemeester niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij is overgegaan tot het afwijzing van de drank- en horecavergunning en van de exploitatievergunning. 3.
  18. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen die inhoudt dat de burgemeester verzoeker behandeld als ware hij in het bezit van een drank- en horecavergunning én een exploitatievergunning. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 4.
  19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4.
  20. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester naar aanleiding van het advies van de Commissie voor bezwaarschriften van 21 september 2023 alsnog op de aanvraag van verzoeker om een exploitatievergunning heeft beslist. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter de vraag aan de orde gesteld of dat besluit een beslissing in primo is of een beslissing op bezwaar. Partijen hebben beide aangegeven dat het besluit een beslissing in primo is, maar dat het wel zo praktisch is om de bezwaarprocedure over te slaan. Daargelaten de vraag of thans wat de exploitatievergunning betreft een rechtstreeks beroep aan de orde is, neemt dit niet weg dat de voorzieningenrechter bevoegd is te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter geeft partijen mee dit in de beroepsprocedure nader uit te zoeken. 4.
  21. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 4.
  22. Verzoeker stelt dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij in een financiële noodsituatie verkeert. Hij heeft tot op heden zijn onderneming niet kunnen voeren en heeft geen geld kunnen verdienen aan zijn onderneming. Al het geld dat hij in de onderneming heeft gestoken, waaronder de opbrengst van de verkoop van zijn woning, gaat verloren als hij zijn onderneming moet staken. Hij heeft nog openstaande rekeningen voor een bedrag van € 62.500,-. Hij huurt het pand aan de [adres] ten behoeve van zijn onderneming en de woning daarboven. Als hij zijn onderneming moet staken dan zal hij ook zijn woning verliezen. 4.
  23. De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, indien aannemelijk is dat verzoeker in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Duidelijk is dat verzoeker zich in een moeilijke financiële situatie bevindt. Sinds de overname van de horeca-inrichting die voorheen was gevestigd in het pand heeft hij veel geld in zijn onderneming geïnvesteerd en teert hij in op zijn eigen vermogen, terwijl hij al bijna twee jaar geen inkomsten uit de onderneming kan genereren. Daartegenover staat dat verzoeker de voorzieningenrechter heeft gevraagd om de behandeling van de verzoeken aan te houden totdat de burgemeester op zijn bezwaarschrift heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft daarom twijfel over het gestelde spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. 4.
  24. Los hiervan is de voorziening die verzoeker vraagt zeer verstrekkend. Verzoeker vraagt hem te behandelen als ware hij in het bezit van een drank- en horecavergunning én een exploitatievergunning. Een dergelijk verstrekkend verzoek kan in beginsel alleen worden ingewilligd als de voorzieningenrechter op voorhand de overtuiging heeft dat de uitkomst in de bodemprocedure zal zijn dat de exploitatievergunning zal moeten worden verleend. De voorzieningenrechter heeft die overtuiging niet. De burgemeester heeft het Bibob onderzoek dat was gestart stopgezet, omdat verzoeker op het moment van het indienen van de aanvragen bij meer dan twee uitspraken veroordeeld was tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Zoals is besproken op de zitting wordt alsnog een Bibob-onderzoek gedaan en is de politie gevraagd een advies uit te brengen. Over de uitkomst daarvan kan op voorhand niets worden gezegd. 4.
  25. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoeker onvoldoende zwaarwegend is om alsnog tot een toewijzing van de gevraagde voorziening te kunnen komen. Weliswaar is het niet ondenkbaar dat verzoeker zijn onderneming zal moeten staken, maar dat rechtvaardigt in dit geval nog geen toewijzing van de gevraagde verstrekkende voorziening. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat het verzoek van verzoeker, om de burgemeester te gelasten hem te behandelen als ware hij in het bezit van de vereiste exploitatievergunning - zoals hiervoor al is overwogen - een verstrekkend verzoek is, omdat hij hierdoor rechten verkrijgt, zonder dat duidelijk is of dit wel terecht is. De voorzieningenrechter acht hierbij ook van belang dat verzoeker nooit in het bezit is geweest van de benodigde exploitatievergunning. De burgemeester maakt dan ook geen inbreuk op een reeds bestaand recht van verzoeker. Conclusie en gevolgen
  26. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen grand café mag exploiteren tijdens de beroepsprocedure. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december
  27. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer SGR 24/7108 Onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. In de zaken SGR 24/7467 en SGR 24/
  28. De uitspraken van 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernández Martínez tegen Spanje, van 16 december 1992, nr. 13710/88, Niemietz tegen Duitsland, van 28 mei 2009, nr. 26713/05, Bigaeva tegen Griekenland), van 9 januari 2013, nr. 21722/11, Oleksandr Volkov tegen Oekranië en 19 oktober 2010, nr. 20999/04, Özpinar tegen Turkije.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.