RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/826 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (gemachtigde: mr. J.T. van Zijp). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser. 1.
- Verweerder heeft met het bestreden besluit 16 december 2021, zoals toegelicht bij brief van 21 januari 2022 op elf bezwaarschriften van eiser gereageerd. 1.
- Eiser heeft gronden ingediend en die aangevuld op 11 augustus
- 1.
- Verweerder heeft op 1 juni 2022 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingestuurd. Verweerder heeft zich daarbij voor alle stukken die eiser op grond van de onder 2 genoemde besluiten deels verkrijgt, beroepen op artikel 8:29 van de Awb (verzoek beperking kennisneming). Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om deze stukken te betrekken bij de uitspraak. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser liet zich vervangen door mr. C.P.R.M. Dekker en de gemachtigde van verweerder. 1.
- Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Verweerder heeft daarop op 31 oktober 2023 een reactie gegeven waarop eiser vervolgens op 6 december 2023 heeft gereageerd. 1.
- Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Nadat geen van partijen had aangegeven van de geboden mogelijkheid gebruik te willen maken, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser betwist de volgende genummerde besluiten van verweerder die zijn gebaseerd op de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob).
(2778)Afwijzing met toepassing van artikel 4:6 van de Awb van het verzoek (opnieuw) openbaarmaking van documenten betreffende de 3e renovatie van het Hofbad omdat hierop bij besluit van 29 augustus 2018 al afwijzend is beslist.
(2780)Afwijzing van het verzoek (opnieuw) openbaarmaking van documenten betreffende de facturen en kosten voor het kort geding, bodemprocedure en aanwezigheid en advisering bij Wob verzoeken (van Pels Rijcken inzake Benoordenhout B.V.) omdat dit bedrijfsgevoelige gegevens van de adviseur betreft.
(2781)Afwijzing met toepassing van artikel 4:6 van de Awb van het verzoek (opnieuw) openbaarmaking van documenten betreffende [naam 2] gesprekverslag 9 mei 201 8 Stadhuis Den Haag Hofbad omdat hierop bij besluit van 29 augustus 2018 al afwijzend is beslist.
(2782)Afwijzing van het verzoek openbaarmaking van documenten inzake het The Hague Jazz festival 2011 in ADO stadion Forepark te Den Haag omdat de gevraagde documenten niet zijn gevonden, dan wel voor het eerst in bezwaar worden verzocht.
(2784)Afwijzing van het verzoek openbaarmaking van documenten inzake een gesprek burgemeester [naam 1] omdat de gevraagde documenten niet zijn gevonden.
(2785)Afwijzing van het verzoek (opnieuw) openbaarmaking van documenten betreffende het WK Hockey 2014 in het ADO Stadion, Forepark te Den Haag de gevraagde documenten niet zijn gevonden, dan wel voor het eerst in bezwaar worden verzocht.
(3581)Afwijzing van het verzoek Hofspetters schade uitkering omdat het verzoek voor het eerst in bezwaar worden gedaan en voor het overige de gevraagde documenten niet zijn gevonden.
(3583)Afwijzing van het verzoek huurovereenkomst huidige uitbater horeca Hofbad op de grond dat het bedrijfsbelang van de uitbater mogelijk onevenredig geschaad kan worden door openbaarmaking.
(3584)Afwijzing van het verzoek met betrekking tot drie klachten omdat de gevraagde documenten niet zijn gevonden.
(3585)Afwijzing van het verzoek met betrekking tot de gunning horeca SportCampus op grond van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet en artikel 10, eerste lid, onder c van de Wob.
(3586)Afwijzing van het verzoek over reclamepalen bij het ADO stadion in het Forepark te Den Haag op grond van artikel 10, eerste lid, onder c en tweede lid onder g van de Wob en voor het overige omdat de documenten niet zijn gevonden. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser betoogt dat de besluiten niet juist zijn. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de geheime stukken.
- Voor zover verweerder de besluiten 2778, 2780, 2781 heeft afgewezen onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb oordeelt de rechtbank met verweerder dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de eerdere afwijzing heeft gesteld. Evenmin is gebleken dat de huidige afwijzing tot een evident onredelijke uitkomst leidt. Verweerder heeft het herhaalde verzoek kunnen afwijzen met verwijzing naar zijn eerder genomen beslissing op die verzoeken. Verder heeft verweerder met juistheid geoordeeld dat uit de verzamelfacturen van Pels Rijcken geen informatie met betrekking tot de kosten kan worden gegenereerd die is te herleiden tot de dossiers waarover eiser openbaarheid verzoekt. Dat eiser het onjuist vindt dat verweerder tot op zekere hoogte geen specificatie verlangt van kosten die zijn adviseur bij de gemeente in rekening brengt kan hier niet aan afdoen. Aan een bestuursorgaan kan niet worden ontzegd te vertrouwen op de juistheid van bepaalde ondergeschikte onderdelen van declaraties zonder daarvan een nadere specificatie te vragen.
- Verweerder stelt zich voor besluit 2784 op het standpunt dat hij niet over het gevraagde document beschikt en het besluit juist is. Uit navraag bij Pels Rijcken is verweerder gebleken dat er in maart 2012 een gesprek heeft plaatsgevonden over de opdracht Ado Den Haag/ [bedrijfsnaam] tussen Cats en [bedrijfsnaam] (een onderneming van eiser), maar dat dit op verzoek van partijen was en niet op verzoek van burgemeester [naam 1] . Verweerder heeft voor het aannemelijk zijn van zijn standpunt verwezen naar een verklaring van [naam 3] , advocaat bij Pels Rijcken van 24 juli
- De rechtbank overweegt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.De rechtbank oordeelt dat eiser er niet is geslaagd het standpunt van verweerder dat hij niet over de stukken beschikt, te ontzenuwen. Ook in het geval de burgemeester erop heeft aangedrongen dat tussen Cats en [bedrijfsnaam] op het kantoor van Pels Rijcken een gesprek zou worden gevoerd om hun standpunten te verkennen, brengt dit niet mee dat daarvan een gespreksverslag aan de burgemeester moet zijn gestuurd. Mogelijk zette hij partijen aan of faciliteerde hij tot het gesprek, maar hij was daarbij in geen geval partij.
- Over besluit 2785 betoogt eiser dat de behandeling van het hiertegen gerichte bezwaar niet heeft plaatsgevonden. Dit betoog faalt. Uit bladzijde 3 van het verslag van de hoorzitting van 2 september 2021 blijkt dat eiser over dit besluit het woord heeft gevoerd en de gemachtigde van verweerder eiser heeft geantwoord.
- Besluit 3581 heeft betrekking op de schadeclaim Hofspetters. Dit verzoek is deels toegewezen voor zover documenten daarover zijn aangetroffen. Documenten waarom de afwikkeling van de claim 2,5 jaar heeft moeten duren zijn niet aangetroffen. Over de aanvulling door eiser van het oorspronkelijke verzoek in bezwaar heeft verweerder beslist dat het buiten de reikwijdte van de behandeling van bezwaarschrift valt. Dit standpunt oordeelt de rechtbank juist.
- Besluit
- Op de zitting heeft verweerder een besluit van 10 mei 2021 overgelegd waaruit onmiskenbaar blijkt dat positief is beslist op een verzoek van eiser dat onder meer heeft geleid tot openbaarmaking van huurovereenkomsten waarop besluit 3583 betrekking heeft. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zoverre erkent dat het bestreden besluit op dit onderdeel onjuist is. Nu eiser reeds beschikte, althans kon beschikken waarom hij heeft verzocht, heeft eiser geen belang bij zijn beroep voor zover gericht tegen besluit 3583 omdat hij met zijn beroep niet meer kan bereiken dan hij al heeft verkregen.
- Besluit 3584 ziet op het verzoek van eiser om documenten over drie klachten die in een kort geding naar voren zijn gekomen en te maken hadden met een huisregel in zwembadhoreca over “consumptie verplicht”. Verweerder stelt hiernaar te hebben gezocht, maar geen documenten daarover te hebben aangetroffen. Onder verwijzing naar de aanhef van overweging 7 oordeelt de rechtbank dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat dit standpunt onjuist is.
- Besluit
- Op de zitting heeft eiser gesteld dat hij al over deze stukken beschikt. De rechtbank stelt vast dat onder de op de zaak betrekking hebbende stukken zich een besluit bevindt van 15 oktober 2020 waarbij is beslist op eisers Wob-verzoek horeca uitbater Sport Campus (Wob/2020.118) en dit verzoek gedeeltelijk is toegewezen en voor het overige gemotiveerd is afgewezen. Eiser is er in niet geslaagd aannemelijk te maken dat verweerder artikel 2.57 van de Aanbestedingswet en artikel 10, eerste lid, onder c van de Wob onjuist heeft toegepast.
- Besluit 3586 gaat over de reclamezuilen ADO-stadion. Eiser heeft aangevoerd dat de overnameprijs en de voorwaarden waaronder HP Beheer de grondovereenkomst voor de plaats en huur heeft overgenomen geen bedrijfs- en fabricagegegevens zijn die vallen onder een uitzonderingsgrond van de Wob. Verweerder heeft het verzoek om openbaarmaking afgewezen omdat daardoor de het bedrijfsbelang van de huidige uitbater mogelijk (onevenredig) geschaad kan worden.
- Gebleken is dat eiser in het bezit is van een kopie van de overeenkomst. Verweerder was hier ten tijde van de besluitvorming niet mee bekend. Verweerder is na heropening van het onderzoek uit intern onderzoek geleken dat de overeenkomst zeer waarschijnlijk in een eerdere Wob-procedure, per vergissing is meegestuurd aan eiser als bijlage bij een akte openbaar register/vestigingsakte inzake de zuilen. Verweerder heeft zich ter nadere motivering op het standpunt gesteld dat de informatie over de kosten inzicht biedt aan (potentiële) klanten die daar gebruik van zouden kunnen maken, wat van invloed kan zijn op de prijs. Verweerder heeft gemeend zich niet in dit bedrijfsbelang te moeten mengen en heeft daarom niet om een zienswijze van de exploitant van de reclamezuilen gevraagd. Verweerder heeft aangegeven dat HP Beheer als belanghebbende bij een eventuele openbaarmaking van de overeenkomst bij nader inzien om een zienswijze had kunnen worden gevraagd, maar dat dit gezien de verwachte bedenkingen niet is gebeurd. Verweerder stelt daarin keuzevrijheid te hebben.
- De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen. Daarin heeft het bestuursorgaan geen keuzevrijheid. Het is immers niet aan het bestuursorgaan om voor de belanghebbende vast te stellen welke bedenkingen dat dan zullen zijn.
- Verweerder had dan ook de exploitant van de reclamezuilen moeten vragen of hij bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de overeenkomst op grond van de Wob en in de gelegenheid moeten stellen zijn eventuele bedenkingen tegen openbaarmaking naar voren te brengen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Overigens is het ook niet zo dat als bepaalde gegevens uit de overeenkomst op grond van één of meer weigeringsgronden van de Wob niet openbaar gemaakt kunnen worden, openbaarmaking van het hele document geweigerd kan worden zoals hier is gebeurd. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond voor zover het ziet op besluit
- De rechtbank zal het bestreden besluit voor zover dat op dat besluit ziet vernietigen en verweerder opdragen om opnieuw op het bezwaar van eiser tegen dat besluit te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Voor het nemen van dit nieuwe besluit op bezwaar geldt de termijn die daarvoor uit de Awb volgt.
- Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser een vergoeding betalen voor de kosten die hij in redelijkerwijs heeft gemaakt voor de behandeling van zijn beroep. Deze kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding voor deze kosten vast op € 875,- (1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 875,-, wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen besluit 3586; - vernietigt het bestreden besluit in zoverre; - draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar van eiser tegen besluit 3586 te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:848) Artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.