RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/632341 / HA ZA 22-588 Vonnis van 25 september 2024 in de zaak van [eiseres] te [woonplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. R.S. Schouten te Zeist, tegen 1. [naam 1] te [woonplaats 2] ,2. (de erven van) [naam 2] te [woonplaats 2] ,3. F.A.M. HOLDING B.V. te Leidschendam,4. BRPD BEHEER B.V. te Den Haag,5. [naam 3] te [woonplaats 3] ,6. [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] , gedaagden, hierna afzonderlijk te noemen: [naam 1] , [naam 2] , F.A.M. Holding, BRPD, [naam 3] en [bedrijf] , advocaat: mr. C.M. van der Burg. 1. De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 5 juli 2022, met producties 1 t/m 33; - de akte houdende aanzegging tot schorsing voor beraad en onderzoek ex artikel 225 Rv van gedaagden waarin is bericht dat [naam 2] (gedaagde 2) op 28 juli 2022 is overleden en waarin is gevraagd om schorsing van de procedure op grond van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv); - de rolbeslissing van 1 februari 2023 waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de procedure wordt voortgezet; - de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 10; - het vonnis van 3 mei 2023 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte vermeerdering eis namens [eiseres] , met producties 34 t/m 40; - de antwoordakte namens gedaagden, met producties 11 t/m 18; - de akte uitlaten namens gedaagden; - de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis van [eiseres] ; - de akte uitlating, tevens houdende akte overlegging aanvullende producties van gedaagden, met producties 10 tot en met 21; - de akte uitlaten van gedaagden van 3 juli 2024, met productie 22. 1.2. Op 20 juni 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens en na deze mondelinge behandeling hebben partijen tevergeefs geprobeerd om samen tot een oplossing van het geschil te komen. De inhoudelijke bespreking van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 6 juni 2024. Partijen hebben toen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Daarbij heeft [eiseres] een aantal nieuwe rechtsgronden voor haar vorderingen naar voren gebracht. Gedaagden zijn in de gelegenheid gesteld om bij akte hierop te reageren. 1.3. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiseres] , [naam 1] , F.A.M. Holding en BRPD zijn aandeelhouders van [bedrijf] . Deze vennootschap is in 1963 opgericht door de (in 2016 overleden) vader van [eiseres] en [naam 1] (hierna: [naam 4] ). [bedrijf] staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich bezighouden met de productie van en (internationale) groothandel in Aziatische levensmiddelen. [naam 3] is de bestuurder van [bedrijf] . De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [bedrijf] bestond tot medio 2022 uit [naam 1] en [naam 2] . Op dit moment is [naam 1] nog de enige commissaris. 2.2. Het kapitaal van de vennootschap is verdeeld in drie soorten aandelen: aandelen A, B en C. De door [eiseres] en [naam 1] gezamenlijk gehouden aandelen A behoren tot de gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] . [eiseres] en [naam 1] zijn beiden deelgenoot in deze gemeenschap. F.A.M. Holding is de houder van de aandelen B en BRPD van de aandelen C. [naam 1] houdt (thans) alle aandelen in het kapitaal van F.A.M. Holding. 2.3. In de statuten van [bedrijf] , zoals gewijzigd op 28 september 2012, staat, voor zover voor deze procedure van belang, het volgende: Artikel 7 - (Ontbonden) Gemeenschap Als aandelen, beperkte rechten daarop of voor aandelen uitgegeven certificaten tot een (ontbonden) gemeenschap behoren, kunnen de deelgenoten zich slechts door de (rechts)persoon die als aandeelhouder is aangegeven in het aandeelhoudersregister als bedoeld in artikel 4 ofwel door één schriftelijk aan te wijzen (rechts) persoon tegenover de vennootschap doen vertegenwoordigen. (…) Artikel 16 - Raad van Commissarissen 1. De vennootschap heeft een raad van commissarissen, bestaande uit een of meer natuurlijke personen. Het aantal commissarissen wordt bepaald door de vergadering van houders van aandelen A. 2. De algemene vergadering van aandeelhouders kan aan één of meerdere commissarissen een bezoldiging toekennen. 3. De commissarissen worden benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering. De vergadering van houders van aandelen A zal voor de benoeming van commissarissen bindende voordrachten opmaken. (…) (…) 12. Ingeval van belet of ontstentenis van een of meer leden van de raad van commissarissen zijn de overige leden van de raad van commissarissen of is het enige overblijvende lid van de raad van commissarissen tijdelijk belast met de bevoegdheden en verplichtingen die aan de raad van commissarissen zijn toegekend. Ingeval van belet of ontstentenis van alle leden van de raad van commissarissen, komen de bevoegdheden van die raad in deze statuten zoveel mogelijk toe aan de vergadering van houders van aandelen A. De vergadering van houders van aandelen A dient voorts zo spoedig mogelijk een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarin kan worden besloten over de benoeming van een of meer commissarissen. (…) Artikel 20 – Besluitvorming 1. Elk aandeel geeft recht op het uitbrengen van één stem. 2. (…) 3. Voor zover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden alle besluiten bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Als in deze statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op de vergadering vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal en dit gedeelte niet op de vergadering vertegenwoordigd was, kan een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen waarin het besluit kan worden genomen, onafhankelijk van het op deze vergadering vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal, tenzij in deze statuten anders is bepaald. Bij de oproeping voor de nieuwe vergadering moet worden vermeld dat en waarom een besluit kan worden genomen, onafhankelijk van het op de vergadering vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal. De hiervoor bedoelde tweede vergadering wordt niet eerder dan twee weken en niet later dan vier weken na de eerste vergadering gehouden. 4. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist het lot; staken de stemmen bij een andere stemming dan is het voorstel verworpen. (…) (…) Artikel 26 - Fusie, splitsing, statutenwijziging en ontbinding 1. De algemene vergadering van aandeelhouders kan besluiten tot: - juridische fusie; - juridische splitsing; - wijziging van de statuten, of - ontbinding van de vennootschap. De algemene vergadering van aandeelhouders kan zodanige besluiten slechts nemen op voorstel van de raad van commissarissen en met een meerderheid van tenminste twee derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal. 2. Wanneer aan de algemene vergadering van aandeelhouders een voorstel tot wijziging van de statuten zal worden gedaan, moet dat steeds bij de oproeping tot de algemene vergadering worden vermeld, (…) 2.4. Op 15 november 2016 hebben de aandeelhouders van [bedrijf] buiten vergadering besloten om uit de winst-/dividendreserve die verbonden is aan de aandelen B een bedrag van € 275.000 aan F.A.M. Holding uit te keren. In 2019 is opnieuw ten laste van de winst-/dividendreserve dividend aan F.A.M. Holding uitgekeerd. 2.5. Op 19 december 2019 hebben de aandeelhouders ter beslechting van een aantal al tussen [naam 4] , [naam 3] en [naam 2] ontstane geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is onder meer een wijziging van de aandelenverhouding vastgelegd. Die wijziging houdt het volgende in: oud nieuw [eiseres] en [naam 1] 13 aandelen A 29 aandelen A F.A.M. Holding 2 aandelen B 16 aandelen B BRPD 8 aandelen C 6 aandelen C Voorts zijn de aandeelhouders in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de winstverdeling vanaf 1 juni 2016 wordt bepaald met inachtneming van deze (in de vaststellingsovereenkomst) gewijzigde aandelenverhouding. 2.6. In de periode van mei tot en met augustus 2020 zijn de aandeelhouders van [bedrijf] diverse keren (zie hierna) door het bestuur en de RvC uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering over een voorstel tot wijziging van de statuten van [bedrijf] . Het voorstel zag onder andere op wijziging van de artikelen 16 en 26 van de statuten. Aanvankelijk werd voorgesteld om de in artikel 16 leden 1, 3 en 12 neergelegde bevoegdheden van de houders van aandelen A toe te kennen aan de houders van aandelen B en C. Dit voorstel is later (bij de uitnodiging voor de aandeelhoudersvergadering van 17 juli 2020) bijgesteld, in die zin dat de bevoegdheden niet langer aan de houders van de aandelen A, maar aan de algemene vergadering van aandeelhouders zouden toekomen. Daarnaast werd voorgesteld om de in artikel 26 lid 1 opgenomen gekwalificeerde meerderheid van ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen te wijzigen in een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 2.6.1. Op 12 mei 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 25 mei 2020. 2.6.2. Op 2 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een (nieuwe) aandeelhoudersvergadering op 12 juni 2020. Bij de vergadering van 12 juni 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. [naam 2] heeft tijdens de vergadering namens [naam 1] voor het voorstel tot wijziging van de statuten gestemd en de zoon van [eiseres] heeft namens zijn moeder tegen het voorstel gestemd. [naam 3] en [naam 2] hebben geen stemmen op de aandelen van hun vennootschappen uitgebracht. 2.6.3. Op 12 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 22 juni 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 12 juni 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 22 juni 2020 is na onderling overleg tussen de advocaten van partijen geannuleerd. 2.6.4. Op 6 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 17 juli 2020. Bij de vergadering van 17 juli 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. In de notulen van die vergadering is vermeld dat de voorzitter na opening van de vergadering heeft geconstateerd dat het krachtens de statuten van de vennootschap vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd is. 2.6.5. Op 21 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 31 juli 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 17 juli 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 31 juli 2020 is niet doorgegaan. 2.6.6. Op 3 augustus 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een nieuwe tweede aandeelhoudersvergadering op 13 augustus 2020. Tijdens deze vergadering van 13 augustus 2020 hebben de daarbij aanwezige [naam 3] en [naam 2] (namens hun vennootschappen) voor het voorstel tot statutenwijziging gestemd. De zoon van [eiseres] was ook bij deze vergadering aanwezig. 2.7. [eiseres] heeft zich vervolgens bij monde van haar advocaat beroepen op de nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het aandeelhoudersbesluit van 13 augustus 2020. 2.8. Bij brief van 23 juli 2021 heeft [naam 3] de aandeelhouders op de hoogte gesteld van het besluit van de Raad van Commissarissen tot uitgifte van negen aandelen B aan F.A.M. Holding en twee aandelen C aan BRPD Holding. 2.9. [eiseres] heeft zich bij brief van 22 september 2021 beroepen op de nietigheid van het uitgiftebesluit en, voor zover noodzakelijk, de vernietiging van het uitgiftebesluit ingeroepen. 2.10. Tijdens een aandeelhoudersvergadering op 24 september 2021 is besloten om uit de vrije reserves aan F.A.M. Holding voor het boekjaar 2019 een bedrag van € 606.000 en voor het boekjaar 2020 een bedrag van € 600.000 aan dividend uit te keren. 3. Het geschil 3.1. [eiseres] vordert verkort weergegeven – na wijziging van eis en intrekking van een onderdeel daarvan – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Vordering I primair, de verklaring voor recht dat het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikelen 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] nietig is; subsidiair, de vernietiging uit te spreken van het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikelen 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] ; primair en subsidiair, voor het geval de statuten van [bedrijf] op grond van een niet rechtsgeldig besluit zijn gewijzigd, de veroordeling van [bedrijf] en al haar aandeelhouders tot het herstellen van artikelen 16 en 26 van de statuten in de staat per 28 september 2012, zoals geformuleerd onder vordering I, onder C van het petitum van de dagvaarding; meer subsidiair, voor het geval het besluit van 13 augustus 2020 een rechtsgeldig besluit is, de verklaring voor recht dat het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikel 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] niet meer mag worden geëffectueerd en/of doorgevoerd, en dat ter zake een verbod wordt opgelegd aan [bedrijf] ; Vordering II primair, de verklaring voor recht dat het besluit van de RvC van [bedrijf] tot uitgifte van negen aandelen B en twee aandelen C nietig is; subsidiair, de vernietiging uit te spreken van het besluit van de RvC van [bedrijf] tot uitgifte van negen aandelen B en twee aandelen C; meer subsidiair, de verklaring voor recht dat vanwege strijd met de vaststellingsovereenkomst sprake is van een toerekenbare tekortkoming, dat het besluit om die reden onrechtmatig althans ongeldig is en dat dientengevolge ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan waaraan uitvoering moet worden gegeven, voor zover uitgifte en levering van de uitgegeven aandelen B en C heeft plaatsgevonden, de veroordeling van aandeelhouders B en C tot teruglevering van de betreffende aandelen aan [bedrijf] op grond van ongedaanmakingsverbintenissen; de veroordeling van [bedrijf] tot de ongedaanmaking van de uitgave van de betreffende aandelen; de veroordeling van [bedrijf] tot aanpassing van het aandelenregister zodanig dat dit aandelenregister wederom de aandelenaantallen zal vermelden conform de bepalingen in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met bepaling dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van aandeelhouders B en C en van [bedrijf] indien binnen 30 dagen na de betekening van dit vonnis de voormelde uitvoering niet heeft plaatsgevonden; de verklaring voor recht dat aandeelhoudersbesluiten die sinds deze uitgifte van de aandelen B en C zijn genomen nietig zijn, indien deze zijn gebaseerd op een niet-bestaande aandelenverhouding dan wel een aandelenverhouding die anders is dan vermeld in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017; Vordering III A. primair, de verklaring voor recht dat bij het bijeenroepen van aandeelhoudersvergaderingen waarin zou zijn besloten over de dividenduitkeringen (275.000 in 2016 respectievelijk € 1.000.000 in 2018, respectievelijk € 600.000 in 2019 respectievelijk € 600.000 in 2020) in strijd is gehandeld met de statuten en dat deze besluiten nietig zijn; met veroordeling van F.A.M. Holding tot terugbetaling aan [bedrijf] van de als dividend uitbetaalde bedragen, met wettelijke rente en op straffe van verbeurte van een dwangsom; subsidiair, de verklaring voor recht dat de in de periode 2016 tot en met 2020 aan aandeelhouder B gedane dividenduitkeringen in strijd zijn met de winstverdelingsregeling in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017; met veroordeling van F.A.M. Holding tot betaling van een schadevergoeding van € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan eiseres, alsmede € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan [naam 1] , alsmede € 2.475.000 x (6/51) aan aandeelhouder C; meer subsidiair, de veroordeling van [bedrijf] althans van haar directie, in verband met de aan aandeelhouder B gedane dividenduitkeringen (€ 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020), tot een schriftelijke onderbouwing dat in de jaren 2016 tot en met 2020 is voldaan aan de wettelijke en statutaire liquiditeitstoetsen voor die respectievelijke dividenduitkeringen; met veroordeling van F.A.M. Holding tot terugbetaling van de wegens dividend uitbetaalde bedragen aan [bedrijf] , met wettelijke rente en voorts op straffe van verbeurte van een dwangsom als: deze onderbouwing niet binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis is gegeven, blijkt dat niet aan de liquiditeitstoets is voldaan, of, uit de cijfermatige onderbouwing blijkt dat destijds niet was voldaan aan artikel 24 lid 4 onder b van de statuten. uiterst subsidiair, de verklaring voor recht dat wat betreft de som aan rechtmatig door F.A.M. Holding B.V. ontvangen dividend (in de periode 2016 t/m 2020, betreffende de bedragen € 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van Aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren; Vordering IV de verdeling uit te spreken van de dividendreserve van aandeelhouder A in twee sub-dividend-reserves, ieder ter grootte van de helft van het dividendreserve bedrag van aandeelhouder A, op grond van art. 3:175 jo. 3:182 BW jo. 3:183 jo. 3:185 BW; met veroordeling van: - [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A; - aandeelhouder B; - aandeelhouder C; - [bedrijf] ; - bestuurder de heer [naam 3] ; - de commissarissen [naam 2] en [naam 1] , tot de verlening van medewerking aan de verdeling van de dividendreserve A, met verklaring voor recht dat terzake van een uitkering van dividend aan eiseres vanaf het te wijzen vonnis door de andere aandeelhouders van [bedrijf] , door [bedrijf] , bestuurder de heer [naam 3] en de commissarissen [naam 2] en [naam 1] , geen beroep kan worden gedaan op het niet kunnen stemmen door [eiseres] ter zake van de uitkering van dividend aan [eiseres] vanwege de gemeenschap aandeelhouder A; Vordering V Gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen om: primair: op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid het vaste advieskostenbedrag waarover partijen het al lang geleden eens waren met elkaar te betalen aan [eiseres] (door [bedrijf] ); subsidiair: op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid aan [eiseres] alle haar in deze zaak gemaakte kosten van rechtsbijstand en advies te vergoeden; meer subsidiair: op grond van art. 6:96 jo. 6:102 BW de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden bestaande uit: de advocaatkosten die zij moest maken in de buitengerechtelijke fase van € 29.205,87 inclusief btw; de vordering die haar zoon [naam 5] op haar heeft wegens in de buitengerechtelijke fase aan zijn moeder geleverde advisering van 475 uren x € 155 exclusief BTW = € 73.625; de tijd die [eiseres] zelf heeft moeten besteden in de buitengerechtelijke fase van 475 uren x € 40 = € 19.000; de kosten van EKO notaris van € 719,95 gefactureerd op 25 februari 2021 wegens de advisering ter zake van een optie op 3 aandelen A in [bedrijf] , welke factuur door zoon [naam 5] in privé is voorgeschoten ten behoeve van [eiseres] ; Vordering VI gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. Gedaagden voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen en dat [eiseres] moet worden veroordeeld in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. De rechtbank zal hierna de verschillende (hoofd)vorderingen afzonderlijk bespreken. I. Besluit tot statutenwijziging 4.2. [eiseres] stelt dat het besluit tot statutenwijziging van 13 augustus 2020 om verschillende redenen nietig of vernietigbaar is. Volgens gedaagden heeft [eiseres] geen belang bij de vaststelling daarvan in rechte, omdat de statutenwijziging nog altijd niet is geëffectueerd. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit dat wat tijdens de zitting namens gedaagden is verklaard, blijkt niet dat [bedrijf] ook in de toekomst geen gevolg zal geven aan het besluit. De statutenwijziging is dus (nog) niet definitief van de baan. Het belang van [eiseres] om duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van het besluit is daarmee gegeven. Dat volgens gedaagden direct na de door [naam 1] en [eiseres] beoogde verdeling van de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren alsnog een geldig besluit over de statutenwijziging kan worden genomen, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze procedure niet op de uitkomst van die verdeling vooruit worden gelopen. 4.3. Gedaagden hebben nog aangevoerd dat het standpunt van [eiseres] inzake de nietigheid van de statutenwijziging zodanig onredelijk is ten opzichte van het vennootschappelijk belang en in vergaande mate het vennootschapsrechtelijke proces van de aandeelhoudersvergadering doorkruist, dat nietigheid dan wel vernietigbaarheid niet aan de orde kan zijn. Dit hebben zij echter pas gedaan in de nadere akte na de mondelinge behandeling, terwijl de rechtbank hen alleen in de gelegenheid had gesteld op twee specifieke stellingen van [eiseres] te reageren. Daarmee hebben zij dit verweer te laat opgebracht en de rechtbank gaat dan ook eraan voorbij. Ook overigens begrijpt de rechtbank deze stellingen van gedaagden niet, gelet op de omstandigheid dat zij tot op heden nog niets met de statutenwijziging hebben gedaan. 4.4. Bij de beoordeling van de bezwaren van [eiseres] tegen het besluit tot statutenwijziging stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat, nu de aandelen A onderdeel zijn van een (onverdeelde) gemeenschap, aandeelhouder A alleen tijdens een aandeelhoudersvergadering (of in voorkomend geval daarbuiten) kan stemmen over een besluit als [eiseres] en [naam 1] het met elkaar eens zijn. Dit brengt mee dat voor zover er al tijdens de gehouden vergaderingen over de statutenwijziging namens [eiseres] en/of [naam 1] afzonderlijk is gestemd, die stemmen bij de beantwoording van de vraag of een rechtsgeldig besluit is genomen buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat die niet eensluidend waren. [eiseres] en [naam 1] zijn het immers niet eens over die statutenwijziging. 4.5. Zoals gedaagden terecht aanvoeren moet de aandeelhoudersvergadering van 13 augustus 2020, de vergadering waarop het aangevochten besluit is genomen, als een tweede vergadering als bedoeld in artikel 20 lid 3 van de statuten worden aangemerkt. Weliswaar stond het voorstel tot statutenwijziging ook al op de agenda van de vergaderingen van 25 mei 2020, 12 juni 2020 en 22 juni 2020, maar die vergaderingen zijn niet doorgaan, althans tijdens die vergaderingen heeft geen (formele) stemming over het voorstel plaatsgevonden (zie ook 4.4). De vergadering van 12 juni 2020 was, anders dan [eiseres] stelt, geen tweede vergadering, maar een nieuwe eerste vergadering. Dit staat ook met zoveel woorden in de bijbehorende oproep van 2 juni 2020. Op deze eerste vergadering is geen tweede vergadering gevolgd, de vergadering van 22 juni 2020 is immers niet doorgegaan. Het bestuur en de RvC hebben er vervolgens voor gekozen om op 17 juli 2020 weer een nieuwe eerste vergadering te houden waarop een gewijzigd voorstel tot statutenwijziging zou worden besproken. De oproep voor die vergadering heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020, in overeenstemming met de termijn van acht dagen uit artikel 17 lid 7 van de statuten (gelezen in combinatie met artikel 2:225 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tijdens die vergadering is volgens de notulen vastgesteld dat het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste quorum niet aanwezig was, zodat is besloten om (aanvankelijk op 31 juli 2020 en later in overeenstemming met de daarvoor geldende termijn op 13 augustus 2020) een tweede vergadering bijeen te roepen. 4.6. Volgens [eiseres] kon de tweede vergadering van 13 augustus 2020 niet bijeen worden geroepen, omdat door de aanwezigheid (van de zoon) van [eiseres] bij de (eerste) vergadering van 17 juli 2020 het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste gedeelte van het kapitaal op die vergadering vertegenwoordigd was. Zij beroept zich daarbij op artikel 7 van de statuten en stelt dat zij, althans haar zoon namens haar, de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren bij de vergadering van 17 juli 2020 kon vertegenwoordigen, omdat zij als aandeelhouder in het aandeelhoudersregister is ingeschreven. Aan de voorwaarde voor het bijeenroepen van een tweede vergadering (het ontbreken van het vereiste quorum tijdens de eerste vergadering) is, aldus [eiseres] , niet voldaan. 4.7. De rechtbank volgt haar daarin niet. Nu zowel [eiseres] als [naam 1] als houder van aandelen A in het aandelenregister is ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van de statuten zo moet worden uitgelegd dat voor een rechtsgeldige vertegenwoordiging van de aandeelhouder A, zowel [eiseres] als [naam 1] tijdens een vergadering aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. De enkele aanwezigheid van een van beiden is niet voldoende. Volgens gedaagden is dit ook altijd het uitgangspunt geweest. En dit sluit ook aan bij de tevens door [eiseres] onderschreven uitleg dat om te kunnen stemmen op de aandelen zowel [eiseres] als [naam 1] aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. Omdat [naam 1] tijdens de vergadering van 17 juli 2020 niet aanwezig was en ook niet is gebleken dat [naam 2] door haar was gevolmachtigd, concludeert de rechtbank dat aandeelhouder A tijdens die vergadering niet werd vertegenwoordigd. De aandelen A vertegenwoordigde destijds 56,52% van het geplaatste kapitaal, zodat door de (formele) afwezigheid van aandeelhouder A tijdens de vergadering van 1 juli 2020 geen geldig besluit over de statutenwijziging kon worden genomen. Dat was, zo volgt uit artikel 26 lid 1 BW, immers alleen mogelijk als minimaal de helft van het geplaatste kapitaal tijdens de vergadering vertegenwoordigd zou zijn. Het bestuur en de RvC van [bedrijf] mochten dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 lid 3 van de statuten een tweede vergadering bijeenroepen waarop de aandeelhouders alsnog (in dit geval met eenparigheid van stemmen) konden besluiten tot statutenwijziging. 4.8. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat de bepaling in artikel 26 van de statuten inhoudende dat een besluit tot wijziging alleen kan worden genomen met een meerderheid van tenminste twee derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal, betekent dat zonder instemming van de houders van aandelen A de statuten überhaupt niet kunnen worden gewijzigd. De houders van aandelen A bezitten immers meer dan de helft van het aantal aandelen en dus kunnen volgens [eiseres] geen besluiten worden genomen als zij hun stem niet uitbrengen. [eiseres] miskent hiermee dat artikel 20 lid 3 van de statuten juist is geschreven voor deze situatie. Artikel 20 lid 3 van de statuten bepaalt immers dat als in de statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op de vergadering vertegenwoordigde deel van het kapitaal (zie artikel 26: “het aantal uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal”) en dit gedeelte niet was vertegenwoordigd, een tweede vergadering kan worden gehouden waarin het besluit kan worden genomen onafhankelijk van het op deze vergadering vertegenwoordigde gedeelte van het kapitaal. In de tweede vergadering geldt dan nog wel dat het besluit met twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden genomen, maar de voorwaarde dat meer dan de helft van het kapitaal aanwezig moet zijn, is dan op grond van artikel 20 lid 3 komen te vervallen. Mits aandeelhouders bij de oproep zijn geïnformeerd dat het een tweede vergadering betreft. De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in deze uitleg van artikel 26 van de statuten. 4.9. [eiseres] beroept zich er ook op dat het besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 2:231 lid 4 BW. Daarin staat dat een besluit tot statutenwijziging dat specifiek afbreuk doet aan enig recht van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, goedkeuring behoeft van deze groep van aandeelhouders, tenzij ten tijde van de toekenning van het betreffende recht de bevoegdheid tot wijziging daarvan uitdrukkelijk was voorbehouden. 4.10. De rechtbank is het niet met gedaagden eens dat deze bepaling alleen betrekking heeft op rechten die zijn toegekend aan de houders van stemloze aandelen. Weliswaar volgt uit de wetsgeschiedenis dat met het voorstel voor toevoeging van het vierde lid aan artikel 2:231 BW beoogd werd houders van stemloze aandelen een zeker mate van bescherming te bieden, maar uit de uiteindelijke tekst van de bepaling blijkt niet dat de wetgever het goedkeuringsvereiste heeft willen beperken tot statutenwijzigingen die alleen die groep aandeelhouders raken. Ook [eiseres] kan dus een beroep op de beschermende werking van dit artikel doen. 4.11. Gedaagden hebben niet bestreden dat de met het besluit beoogde wijziging van artikel 16 van de statuten afbreuk doet aan de rechten die de houders van aandelen A ten aanzien van (de samenstelling van) de RvC hebben. Door de wijziging zijn zij immers niet meer degenen die bepalen uit hoeveel leden de RvC bestaat, die een bindende voordracht kunnen doen bij de benoeming van commissarissen en die de bevoegdheden van de RvC overnemen bij belet of ontsteltenis van alle leden daarvan. Die rechten komen dan toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Dat [naam 1] en [eiseres] als houder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.