← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:2421

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.12051 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker 1], verzoeker 1 V-nummer: [nummer 1] [naam verzoekster] , verzoekster V-nummer: [nummer 2] [naam verzoeker 2] , verzoeker 2 V-nummer: [nummer 3] hierna samen te noemen: verzoekers (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. J.L.K. Hu). Procesverloop Bij besluit van 10 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de ‘Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’ afgewezen. Bij besluit van 24 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het besluit van 24 februari 2020 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 april 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep gegrond verklaard (AWB 20/2398). Bij besluit van 25 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers opnieuw ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 16 oktober 2023 (aanvullend besluit) heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer NL21.12049 op 8 februari 2024 ter zitting behandeld. Overwegingen

  1. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL21.12049, heeft de rechtbank op het beroep beslist. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
  2. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers in verband met hun verzoek om een voorlopige voorziening heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 875,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.