← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:2629

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9479 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Raak). Procesverloop Eiser heeft op 25 april 2020 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 2 juli

  1. Bij besluit van 3 juli 2020 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven met het oog op de vraag of verweerder bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen
  2. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
  3. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd voor zover verweerder in het besluit van 3 juli 2020 heeft geconcludeerd dat hij aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd is. De Tijdelijke wet sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren.
  4. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht.
  5. Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
  6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  7. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep niet-ontvankelijk;  veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Algemene wet bestuursrecht. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:3352.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.