RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.2875 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam], verzoeker V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. C.G. Matze), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de voorzieningenrechter in de brief van 13 februari 2024 meegedeeld dat verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken. De voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van verzoeker gevraagd hierop te reageren. De gemachtigde van verzoeker heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat zij nog contact heeft met verzoeker en dat hij in Nederland verblijft. Op 19 februari 2024 heeft de gemachtigde van verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker ingetrokken omdat verzoeker volgens zijn gemachtigde ten onrechte is aangemerkt als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Zij heeft gevraagd verweerder te veroordelen in de proceskosten De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Overwegingen
- Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
- In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
- Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Immers verzoeker heeft het verzoek ingetrokken omdat hij ten onrechte is aangemerkt als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken. Deze vraag is niet relevant voor de beoordeling of verweerder tegemoet is gekomen aan verzoeker. Dit is reden om het het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.