RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18643 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.M. Weber), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: drs. J.M. Sidler). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 6 december 2022. De staatssecretaris heeft op 4 januari 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Bij brief van 23 januari 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de staatssecretaris gevraagd nadere informatie te verstrekken. Op 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris nadere informatie verstrekt. Eiser heeft op 6 februari 2024 daarop gereageerd. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij toestemming geven de zaak zonder nadere zitting af te doen. De gemachtigde van eiser heeft deze toestemming gegeven, verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 8 februari 2024 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 1. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op 6 december 2022. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moest de staatssecretaris binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. 1.1. De staatssecretaris heeft echter met WBV 2022/22 (Stcrt. 2022, nr. 25775) gebruik gemaakt van de in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw neergelegde bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dat geldt voor alle asielaanvragen waarvan de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken op de datum van de inwerkingtreding van WBV 2022/22 (27 september 2022) en geldt voor zaken ingediend tot 1 januari 2023. 1.2. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend ná de inwerkingtreding van WBV 2022/22, maar vóór 1 januari 2023. Op grond van WBV 2022/22 is de beslistermijn in het geval van eiser dus met negen maanden verlengd (tot vijftien maanden). Omdat eiser zijn asielaanvraag op 6 december 2022 heeft ingediend, zou de beslistermijn pas op 6 maart 2024 verstrijken. Eiser heeft de staatssecretaris daarvóór in gebreke gesteld (namelijk op 8 juni 2023) en heeft ook daarvóór dit beroep ingesteld (op 27 juni 2023). De verlenging van de beslistermijn met negen maanden zou betekenen dat de ingebrekestelling te vroeg is verstuurd en het beroep te vroeg is ingesteld, zodat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 1.3. Eiser stelt echter dat de verlenging van de beslistermijn met WBV 2022/22 niet rechtsgeldig is. Als dat zo is, dan is de beslistermijn al na zes maanden en dus op 6 juni 2023 verstreken. In dat geval heeft eiser pas ná het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling verstuurd en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen zou dan gegrond moeten worden verklaard. 1.4. Deze uitspraak ziet daarom op de vraag of de staatssecretaris met WBV 2022/22 de beslistermijn voor asielaanvragen (waarvan de beslistermijn op 27 september 2022 nog niet was verstreken en die zijn ingediend tot 1 januari 2023) rechtsgeldig heeft verlengd. Waarom heeft de staatssecretaris de beslistermijn verlengd? 2.1. De staatssecretaris heeft de verlenging van de beslistermijn gebaseerd op artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw, waarin staat dat de staatssecretaris de beslistermijn met ten hoogste negen maanden kan verlengen, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een asielaanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de asielprocedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Deze bepaling is een letterlijke implementatie van artikel 31, derde lid, derde zin en onder b, van de Procedurerichtlijn. 2.2. De reden voor de toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw is volgens de toelichting bij WBV 2022/22 de toenemende voorraad van de IND, die wordt veroorzaakt door de onverwachte toename van asielaanvragen vanaf de tweede helft van 2021 in combinatie met de reeds bestaande achterstanden. Die stijging van het aantal asielaanvragen wordt deels veroorzaakt door de komst van Afghanen en Oekraïners, maar ook andere nationaliteiten lieten vanaf de tweede helft van 2021 een relatief grote stijging zien. Daarnaast konden volgens die toelichting tijdens de coronacrisis een aanzienlijk aantal Dublinclaimanten niet worden overgedragen, zodat zij moesten worden opgenomen in de nationale asielprocedure. De tekst van deze toelichting komt overeen met de tekst van de eerdere brief van de staatssecretaris van 26 augustus 2022, waarin de maatregel tot verlenging van de beslistermijn aan de Tweede Kamer was aangekondigd (Kamerstukken II 2022/23, 19 637, nr. 2992, p. 9). Wat is de huidige stand van zaken? 3. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift van 4 januari 2024 verwezen naar verschillende uitspraken waaruit volgt dat WBV 2022/22 rechtmatig is, waaronder de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 23 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14087, en een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10622. De staatssecretaris wijst erop dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:136, waarin is geoordeeld dat WBV 2022/22 niet rechtmatig is. Daarbij heeft de staatssecretaris ook het hoger beroepschrift overgelegd dat hij bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft ingediend. De Afdeling heeft bij verwijzingsuitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Die prejudiciële vragen zien in de kern op de vraag hoe artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn uitgelegd moet worden. Wat betekenen de prejudiciële vragen voor de behandeling van deze zaak? 4. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen af te wachten voor de behandeling van deze zaak. Dit verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet tot de aard van deze procedure tegen het niet tijdig beslissen, waarin door partijen juist op korte termijn een uitspraak van de rechtbank wordt verwacht. De beantwoording van de vragen door het Hof van Justitie kan nog geruime tijd op zich laten wachten. Hoe beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van WBV 2022/22? 5. De rechtbank komt terug van haar eerdere rechtspraak over WBV 2022/22, zoals onder meer neergelegd in de door de staatssecretaris genoemde uitspraak van 7 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10622. De rechtbank oordeelt nu dat de verlenging van de beslistermijn met WBV 2022/22 niet rechtmatig is. Dat legt de rechtbank hierna uit. Combinatie van factoren 5.1. De staatssecretaris heeft toegelicht en benadrukt dat hij wegens een combinatie van factoren niet meer binnen zes maanden op asielaanvragen kon beslissen en genoodzaakt was toepassing te geven aan artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw (de letterlijke implementatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn). Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze bepaling uit de Procedurerichtlijn echter geen ruimte om een beslistermijn te verlengen in het geval de onmogelijkheid (/moeilijkheid) om tijdig asielbesluiten te nemen niet alleen wordt veroorzaakt door een plotselinge toename van het aantal asielaanvragen tegelijk maar door een combinatie van factoren. De rechtbank sluit hierbij aan bij het voorlopige oordeel van de Afdeling in de onder 3 genoemde verwijzingsuitspraak, rechtsoverweging 25. 5.2. Bij de beantwoording van de vraag of het door het grote aantal asielverzoeken tegelijk zeer moeilijk is geworden om de behandelingsprocedure binnen zes maanden af te ronden, mogen naar het oordeel van de rechtbank geen andere omstandigheden worden betrokken dan het grote aantal asielverzoeken dat tegelijk wordt ingediend. De bepaling in de Procedurerichtlijn wijst namelijk alleen het grote aantal asielverzoeken dat tegelijk wordt ingediend aan als oorzaak waardoor het zeer moeilijk is geworden de behandelingsprocedure tijdig af te ronden. Daarmee verzetten de bewoordingen van deze bepaling zich tegen een uitleg die andere oorzaken, zoals reeds bestaande achterstanden, voor het niet tijdig nemen van een asielbesluit meeneemt. Artikel 4, eerste lid, van de Procedurerichtlijn 5.3. Wanneer bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de verlengingsmogelijkheid van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn mag worden betrokken dat bijvoorbeeld sprake is van reeds bestaande achterstanden bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, zou dat afbreuk doen aan de verplichting van de lidstaat op grond van artikel 4, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Dit artikel veronderstelt namelijk dat de beslissingautoriteit zekere fluctuaties in het aantal asielverzoeken kan opvangen en dat hij zijn besliscapaciteit tijdig vergroot indien dat nodig is. Volgens de rechtbank betekent dit in feite dat artikel 4, eerste lid, van de Procedurerichtlijn uitgaat van een goed functionerend asielsysteem, zijnde een systeem waarin binnen zes maanden op (het grootste deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.