RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/2513 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink), en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigden: mr. P.M. van der Weijden en dr. S. Dalenberg). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ontslag. 1.1 Verweerder heeft eiser met het besluit van 23 februari 2022 per 1 juni 2022 eervol ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Bij besluit van 26 april 2022 heeft verweerder de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 1 augustus 2022. Met het bestreden besluit van 6 maart 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het ontslag gebleven. 1.2 De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Kort chronologisch feitenoverzicht 2.1 Eiser is sinds 1999 werkzaam bij het ministerie van Defensie. Eerst als militair, later als burgerambtenaar. Hij is onder meer uitgezonden geweest naar Irak. Daar maakte hij traumatiserende dingen mee. Bij eiser is vastgesteld dat hij daardoor een Post Traumatische Stressstoornis (PTSS) opgelopen heeft. Eiser ontvangt daarvoor een Militair Invaliditeitspensioen. 2.2 Bij terugkeer in Nederland stelt eiser verschillende voorvallen mee te hebben gemaakt zoals negatieve behandeling/bejegening dan wel mishandeling als ook een valse aangifte die tegen eiser is ingediend waarbij eiser werd verdacht van vernieling. Hiervoor is eiser vrijgesproken. Op 22 juli 2015 hebben eiser en verweerder een Vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer afgesproken dat eiser zal gaan werken bij personeelszaken. 2.3 Tijdens die werkzaamheden is eiser op 19 september 2017 ziekgemeld. Eiser is na zijn ziekmelding begonnen met re-integratie op zijn eigen werkplek bij personeelszaken. Uit de aanvraag functiegeschiktheidsadvies van 6 februari 2018 blijkt dat eiser zijn werk heeft moeten staken vanwege een toename van zijn klachten. 2.4 Uit de UWV Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) probleemanalyse van 16 maart 2018 blijkt dat eiser op dat moment ongeschikt is voor eigen of aangepaste werkzaamheden. De bedrijfsarts gaf op 26 april 2018 aan dat eiser een start kan maken met aangepaste werkzaamheden. Vervolgens is eiser geplaatst bij het DienstenCentrum Re-Integratie (DCR). Eiser heeft van 23 juli 2018 tot en met 24 oktober 2018 gewerkt in een magazijn van Defensie in Heerenveen om te re-integreren. 2.5 Eiser krijgt op 28 augustus 2018 een waarschuwing, omdat hij onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie. Eiser had die dag een gesprek met zijn re-integratiebegeleidster om de eerstejaarsevaluatie en het opstarten van het tweede spoor te bespreken. 2.6 Bij besluit van 10 september 2018 ziet verweerder af van het korten van eisers loon na het eerste ziektejaar, omdat sprake is van een ziekte ten gevolge van de uitoefening van de dienst. 2.7 Bij besluit van 11 september 2018 legt verweerder weer een maatregel op omdat eiser onvoldoende mee werkt aan zijn re-integratie. Eiser had verzuimd voor 10 september 2018 contact op te nemen met zijn re-integratiebegeleidster en heeft ook niet gereageerd op het verzoek om zijn keuze bekend te maken over inzet van het tweede spoor. Gedurende drie maanden zal 10% van eisers loon ingehouden worden. 2.8 Op 17 september 2018 geeft de bedrijfsarts aan dat het tweede spoor nog niet ingezet kan worden in verband met het intensieve en belastende behandeltraject van eiser. 2.9 Op 23 oktober 2018 is er aangifte tegen eiser gedaan voor het onrechtmatig gebruik van dienstvoertuigen/joyriding. Eiser is bij besluit van 24 oktober 2018 hangende deze strafzaak geschorst zodat hij gedurende die tijd ook niet meer kon re-integreren binnen Defensie. Bij het schorsingsbesluit is tevens bepaald dat eiser actief moet meewerken aan zijn re-integratie, en dat deze re-integratie alleen is gericht op het tweede spoor. Nadat eiser op 3 december 2019 is vrijgesproken door de strafrechter, is de schorsing op 5 februari 2020 opgeheven. 2.10 In het deskundigenoordeel van het UWV van 13 november 2018 is vermeld dat de re-integratie inspanningen van verweerder tot dat moment voldoende zijn geweest. 2.11 Eind mei 2019 zijn eisers GGZ behandelingen voor zijn PTSS gestopt, omdat, zoals eiser ter zitting heeft toegelicht, eerst de problemen met Defensie opgelost moeten worden voordat stappen gemaakt kunnen worden met de behandelingen. Vanaf dat moment tot heden hebben er volgens eiser geen behandelingen meer plaatsgevonden voor de PTSS. 2.12 Op 12 juni 2019 stelt het UWV in het kader van de WIA aanvraag dat verweerder zijn re-integratieverplichtingen onvoldoende is nagekomen, omdat het re-integratieverslag niet tijdig is aangevuld. Aan verweerder wordt de verplichting opgelegd om het loon van eiser door te betalen tot 15 september 2020. 2.13 Op diezelfde datum legt verweerder aan eiser een maatregel op omdat hij onvoldoende mee werkt met zijn re-integratie. Eiser wordt verweten dat hij niet op de afspraken van 29 mei 2019 en 7 juni 2019 is verschenen. Daarom wordt er drie maanden 10% van eisers salaris ingehouden. Eisers bezwaar tegen deze maatregel wordt gegrond verklaard en de maatregel werd herroepen op 21 april 2022. 2.14 Het UWV heeft op 19 september 2019 geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder de tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen heeft hersteld. Verweerder had het tweede spoor nog niet ingezet, omdat de bedrijfsarts had geadviseerd dit nog niet op te starten vanwege het intensieve lopende behandeltraject van eiser. Dat verweerder het tweede spoor nog niet had ingezet was volgens het UWV echter ten onrechte. 2.15 Op 19 september 2019 heeft verweerder een voorstel gedaan om de impasse te doorbreken. Daarnaast blijft er ingezet worden op een minnelijke regeling, maar een concept vaststellingsovereenkomst wordt door eiser afgewezen. 2.16 Op 18 oktober 2019 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij inmiddels is aangemeld bij de externe partner Fourstar. Er is een intake voor eiser ingepland op 11 november 2019 om 13.00 uur. Bij de intake zullen aanwezig zijn Majoor [naam 1] , de re-integratie begeleider van eiser mevrouw Faeseler en de begeleider van eiser bij Fourstar. 2.17 Eiser mailt op 23 maart 2020 naar onder meer de heer [naam 2] , hoofd bureau P&O aangelegenheden, met klachten over de gang van zaken bij zijn re-integratie. Uit de onderliggende mailwisseling van begin maart 2020 blijkt dat er is gekeken naar een re-integratieplek binnen Defensie, maar dat dit niet gelukt is en dat wordt gekeken naar een geschikte plek extern. 2.18 Eind mei 2020 zegt eisers begeleider vanuit Defensie, [naam 3] , een afspraak met eiser af waarbij gepoogd zou worden het zorgplan van de grond te krijgen. De reden daartoe was dat het juridische deel van het probleem eerst volgens [naam 3] opgelost moest worden. De aanwezigheid van eisers gemachtigde bij de afspraak, zoals verzocht door eiser, werd niet op prijs gesteld. [naam 3] heeft daartoe gesteld dat hij het juridische traject en het zorgtraject gescheiden wil houden. Hij houdt zich alleen bezig met de zorg. 2.19 Eiser heeft in september 2020 gesolliciteerd en is aangenomen buiten Defensie, maar dit is hem door Defensie ontraden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dat gedaan is om eiser tegen zichzelf te beschermen vanwege zijn medische toestand. 2.20 Bij brief van 13 februari 2021 worden eiser 4 opties voorgelegd: opstellen van een plan van aanpak voor de re-integratie, een minnelijke regeling, ontslag op grond van ziekte en een regulier schadeproces en tot slot is er de optie van een voorstel van eiser zelf. Eiser kiest voor een minnelijke regeling. Partijen zijn uiteindelijk echter niet tot een overeenkomst gekomen. 2.21 Omdat verweerder geen andere weg uit de ontstane impasse zag, is er overgegaan tot ontslag op grond van ziekte bij besluit van 23 februari 2022. 2.22 Eiser heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in december 2022 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de uitkomst van een gesprek tussen eiser en de HDP af te wachten. Gelet op de uitkomst van dit gesprek heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Na het gesprek zijn de volgende besluiten genomen: - Op 23 juni 2023 heeft eiser een WIA loonaanvullingsuitkering gekregen met ingang van 15 september 2022, daarbij is eisers arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogd naar 80-100%; - Op 18 juli 2023 is het militair invaliditeitspensioen verhoogd naar 35%; - Op 31 januari 2023 heeft eiser €30.000,- voorschot ontvangen op de schadevergoeding die eiser op grond van de Regeling volledige schadevergoeding kan ontvangen. - Op 8 september 2023 heeft eiser op grond van die Regeling een tweede voorschot van €70.000,- ontvangen. Wat heeft verweerder besloten? 3. Verweerder blijft in het bestreden besluit bij het ontslag op grond van ziekte. In het verweerschrift stelt verweerder dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt op welke punten verweerder tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Verweerder vindt dat er talloze pogingen gedaan zijn om met eiser een plan van aanpak voor de re-integratie op te stellen. Dat is niet gelukt. Toen eiser aangaf dat een regeling in de minne zijn voorkeur heeft, heeft verweerder daar op ingezet. Ook dat heeft helaas niet tot een goed resultaat geleid. Verweerder heeft zich ruimhartig en coulant opgesteld. Wat vindt eiser in deze procedure? 4. Eiser vindt kort gezegd dat het ontslag niet gerechtvaardigd is, omdat verweerder onvoldoende gedaan heeft in de re-integratie en eiser daarbij zelfs heeft tegengewerkt. Eisers noodzakelijke medische behandeling voor zijn PTSS en depressie is in 2019 onvrijwillig stopgezet en is tot op heden niet hervat. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is door het UWV inmiddels op 80-100% vastgesteld. Eiser is overduidelijk ziek en alle juridische procedures houden een behandeling daarvoor tegen. Er is sprake van (verborgen) discriminatie. Er wordt geen rekening gehouden met eisers PTSS met dienstverband. Daarbij vermoedt eiser dat een aantal incidenten die in het verleden tijdens zijn werk bij Defensie hebben plaatsgevonden de opstelling van verweerder hebben beïnvloed. Eiser is gedurende zijn loopbaan bij Defensie bedreigd, geïntimideerd en gediscrimineerd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt vast dat eiser zeer geraakt is door alles wat hij bij Defensie heeft meegemaakt. Dat begon al bij eisers uitzendingen en wat hij daar mee heeft gemaakt en hoe hij vervolgens volgens hem binnen Defensie behandeld is. Volgens eiser is er binnen Defensie meermaals sprake geweest van discriminatie/geweld tegen hem. Vervolgens dragen de aangiftes tegen eiser in 2012 (met bijbehorende politie-inval) en 2018 en de uitgesproken verdenking van het vertonen van crimineel gedrag, bij aan het verslechteren van de verstandhoudingen. De problemen van eiser binnen Defensie kennen een zeer lange looptijd en de rechtbank kan zich voorstellen dat dit een zeer sterke wissel op eiser heeft getrokken. De rechtbank moet echter het ontslag besluit toetsen en de grondslag van dit besluit is de ongeschiktheid van eiser om zijn werk te vervullen wegens ziekte. Het is weliswaar begrijpelijk dat eiser de incidenten noemt, echter gelet op het besluit dat de rechtbank moet beoordelen kan de rechtbank niet meer dan vaststellen dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder eiser bewust en kwaadwillend heeft tegengewerkt. 6. De rechtbank moet dan ook beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 121, derde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) is voldaan. Deze voorwaarden houden in dat aan eiser alleen ontslag kan worden verleend als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.