← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:3349

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5989 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 6 maart 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
  3. Eiser voert aan dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
  4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding van 14 februari 2024 blijkt dat eiser geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn overdracht aan Kroatië en hij om die reden staande is gehouden, zodat reeds hierom voldoende duidelijk is geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Maatregel van bewaring
  5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden staan in de maatregel vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; En als lichte gronden staan in de maatregel vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  6. Voor zover eiser stelt dat de grondslag van de maatregel van bewaring onjuist is, is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken in het dossier voldoende blijkt dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is, zodat verweerder op grond daarvan de maatregel van bewaring heeft kunnen opleggen. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3k feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen. Lichter middel en zicht op overdracht
  7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij in Kroatië nimmer asiel heeft aangevraagd. De mededeling dat uit Eurodac is gebleken dat hij aldaar een asielaanvraag heeft ingediend, is dan ook onjuist. Verder voert eiser aan dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt.
  8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volgt een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verder wordt in de onderhavige zaak slechts beoordeeld of de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan rechtmatig is geweest. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
  9. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn aan Kroatië ontbreekt nu eiser op 26 februari 2024 is overgedragen aan Kroatië. Ambtshalve toets
  10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  13. Verordening (EU) nr. 604/
  14. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.