← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:3362

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8996 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam], verzoeker V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J.E. de Poorte), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding In het besluit van 23 augustus 2023 heeft verweerder de tijdelijke bescherming van verzoeker beëindigd per 4 september

  1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 augustus
  2. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak in deze zaak van 1 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:13492) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 23 augustus 2023 geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep. Op 15 februari 2024 heeft verweerder het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken. Bij brief van 7 februari 2024 heeft verweerder aangekondigd dat verzoekers tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zal eindigen. Verzoeker heeft meegedeeld zijn eerder ingediend beroep (NL23.259770) te handhaven onder de vermelding dat dit beroep betrekking heeft op het besluit van 8 februari
  3. Verzoeker heeft opnieuw verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, die inhoudt dat hij tijdens de verdere behandeling van het beroep aanspraak kan blijven maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:87, eerste lid, gelezen samen met artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting op het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening wijzigen.
  5. In de voornoemde uitspraak van 1 september 2023 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 23 augustus 2023 geschorst. In dat besluit was sprake van beëindiging van verzoekers tijdelijke bescherming na 4 september
  6. Verweerder heeft echter nadien in de brief van 7 februari 2024 meegedeeld dat verzoekers tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zal eindigen. Nu verzoeker gelet op deze brief na 4 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde, is er onverwijlde spoed aanwezig om de eerder getroffen voorlopige voorziening aan te vullen. Indien en voor zover deze brief geen besluit zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker analoog aan het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
  7. Het beroep kan niet worden afgehandeld voordat verzoekers tijdelijke bescherming eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoekers belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang het beroep loopt, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen na 4 maart 2024 meteen te beëindigen. De hiervoor genoemde uitspraak van 1 september 2023 is daartoe niet voldoende, omdat daarin slechts het besluit van 23 augustus 2024 is geschorst. Het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening is gegrond.
  8. In de toewijzing van het nieuwe verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De voorzieningenrechter:  vult de op 1 september 2023 getroffen voorlopige voorziening aan;  bepaalt dat verzoeker de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde blijft behouden totdat op het beroep (NL23.25970) is beslist;  veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.