← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:3392

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 23/12605 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2024 in de zaak tussen [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , verzoekers V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3] (gemachtigde: mr. W. Rohlof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: H.Q. van der Zaan). Procesverloop In het besluit van 29 september 2023 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris de aanvragen van verzoekers voor een verblijfsvergunning (voor ieder van hen) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ afgewezen. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  2. Verzoekers vragen de rechtsgevolgen van het primaire besluit op te schorten, zolang nog niet op het bezwaar is beslist. Zij willen de beslissing op het bezwaar in Nederland afwachten.
  3. Verweerder heeft in een brief van 20 februari 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekers totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
  4. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoekers behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoekers tot de beslissing op het bezwaar bekend is gemaakt.
  5. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
  6. Verweerder wordt ook veroordeeld in de proceskosten van verzoekers, omdat het verzoek wordt toegewezen. De vergoeding hiervan wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door de gemachtigde levert in dit geval 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Dit punt heeft een waarde van € 875,- met een wegingsfactor
  7. Er wordt dus een bedrag van € 875,- toegekend. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schort de rechtsgevolgen van het besluit van 29 september 2023 op en verbiedt verweerder om verzoekers uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoekers te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 875,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.