← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:3680

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7560 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 4 augustus
  2. 1.
  3. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam van deze rechtbank van 21 augustus
  4. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam van deze rechtbank van 24 oktober
  5. Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 14 november
  6. Op het derde vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 11 december
  7. Op het vierde vervolgberoep is beslist bij uitspraak 15 januari
  8. Bij besluit van 24 januari 2024 heeft de staatssecretaris de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 (het verlengingsbesluit). Eisers beroep tegen dit besluit is beoordeeld en ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 februari
  9. 1.
  10. De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. 1.
  11. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N. den Ouden, als waarnemer van zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank
  12. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  13. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader
  14. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 4.
  15. Uit de uitspraak van 13 februari 2024 over de verlengingsmaatregel volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 6 februari 2024) rechtmatig is. Beroepsgronden Verzwaarde belangenafweging
  16. Eiser voert aan dat zijn bewaring op 31 januari 2024 zes maanden (180 dagen) voortduurde en dat de staatssecretaris op dat moment verplicht was om een verzwaarde belangenafweging te maken. De staatssecretaris heeft dit te laat gedaan. Uit de voortgangsrapportage blijkt namelijk dat de staatssecretaris de verzwaarde belangenafweging pas op 23 februari heeft gemaakt. Eiser wijst ter onderbouwing op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 januari
  17. 5.
  18. De beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris heeft op 24 januari 2024 een verlengingsbesluit genomen. Zoals onder 1.
  19. is genoemd, is dit besluit beoordeeld en ongegrond verklaard bij de uitspraak van 13 februari
  20. Naast het verlengingsbesluit dient niet nog een andere, aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden. Als eiser meent dat er een gebrek kleeft aan het verlengingsbesluit, dient hij dat aan te dragen in de procedures tegen dat besluit. De vraag of het verlengingsbesluit rechtmatig is, ligt in deze procedure niet voor. Lichter middel
  21. Eiser voert aan dat de staatssecretaris een lichter middel dan de bewaring moet toepassen. Eiser heeft vrienden en familie in Nederland en heeft langere tijd in het AZC in Sneek verbleven. De staatssecretaris kan volstaan met een meldplicht. 6.
  22. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals in de uitspraak van 13 februari 2024 is geoordeeld bestaat er nog altijd het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser voert niets aan waardoor hier niet langer vanuit mag worden gegaan. Bovendien onderbouwt eiser zijn beroepsgrond niet. In wat eiser aanvoert, ziet de staatssecretaris dus terecht geen aanleiding voor het toepassen van een lichter middel. Zicht op uitzetting
  23. Eiser voert verder aan dat er geen zicht op uitzetting is naar Gambia, het land waar hij naartoe moet. 7.
  24. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet vooralsnog namelijk onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de Gambiaanse autoriteiten niet kunnen of willen meewerken aan eisers uitzetting en dat daarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het dossier blijkt dat de Gambiaanse autoriteiten eisers laissez-passer (lp) aanvraag in behandeling hebben genomen en op 7 maart 2024 een presentatie voor eiser stond gepland. De rechtbank merkt daarnaast op dat van eiser verwacht mag worden dat hij meewerkt aan zijn terugkeer. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer. De staatssecretaris heeft op de zitting namelijk toegelicht dat eiser (wederom) niet is verschenen voor zijn presentatie. Nu eiser zijn uitzetting belemmert is daarmee in beginsel het zicht op uitzetting al gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring langer voortduurt. Ambtshalve toets door de rechtbank
  25. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie
  26. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp Rotterdam) 21 augustus 2023, zaaknummer NL23.22395 (niet gepubliceerd). Rb. Den Haag (zp Rotterdam) 24 oktober 2023, zaaknummer NL23.29989 (niet gepubliceerd). Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
  27. Rb. Den Haag (zp Arnhem) 11 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19569 Rb. Den Haag (zp Arnhem) 15 januari 2024, zaaknummer NL24.122 (niet gepubliceerd). Rb. Den Haag (zp Arnhem) 13 februari 2024, zaaknummer NL24.3042 (niet gepubliceerd). ECLI:NL:RVS:2019:
  28. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  29. Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.