RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL24.718 en NL24.720 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , eiser en [eiseres] , eiseres V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] , samen: eisers (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Ch.R. Vink). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 8 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank heeft de beroepen 30 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van eisers op 6 februari 2024, besloten het onderzoek te heropenen omdat de in het verzoek genoemde stukken voor de beoordeling en beslissing van belang kunnen zijn. Op 8 en 9 februari 2024 hebben eisers nadere stukken ingebracht. Verweerder heeft hierop bij brief van 13 februari 2024 gereageerd. Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank is enigszins terughoudend toetsend van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder op grond van de door eisers aangevoerde bijzondere, individuele omstandigheden hun asielaanvragen niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling neemt. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden uitleggen hoe ze tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Achtergrond 3. Eisers hebben de Turkse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 2001 en [datum 2] . Zij hebben hun asielaanvragen in Nederland op 21 augustus 2023 ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 13 augustus 2023 een asielaanvraag in Kroatië hebben ingediend. Daarna zijn zij via Italië en Duitsland naar Nederland gereisd. Nederland heeft op 6 en 19 oktober 2023 bij Kroatië verzoeken om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft deze verzoeken op 20 oktober 2023 en 2 november 2023 aanvaard. Op 19 september 2023 hebben eisers een aanmeldgehoor Dublin gehad. Eisers hebben toen bezwaren tegen de overdracht aan Kroatië naar voren kunnen brengen. In het aanmeldgehoor hebben eisers verklaard door de politie van Kroatië te zijn geslagen en beledigd. Telefoons en spullen zijn afgepakt en het paspoort van eiser is verbrand. In het bijzijn van andere migranten heeft de politie eiseres, die transgender is, uitgekleed en gefouilleerd. Eisers durfden niet te klagen. Eisers hebben op 13 oktober 2023 correcties en aanvullingen ingediend. Op 19 oktober 2023 zijn voornemens uitgebracht. Eisers hebben op 1 november 2023 een zienswijze ingebracht. Beroepsgronden zijn op 13 januari 2024 ingediend. Besluit 4. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bespreking beroepsgronden Voornemen 5. Eisers voeren aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat er voornemens zijn geuit zonder claimakkoord. 6. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat voornemens de asielaanvragen niet in behandeling te nemen geen formele besluiten zijn met rechtsgevolgen, maar voorbereidingshandelingen. Hierop kan gereageerd worden door middel van een zienswijze. Dat hebben eisers op 1 november 2023 gedaan. Hierop heeft verweerder gemotiveerd gereageerd in de bestreden besluiten van 8 januari 2024. De bestreden besluiten zijn niet kenbaar gemaakt, voordat de claimakkoorden op 20 oktober 2023 en 2 november 2023 waren ontvangen. Dat van vooringenomenheid sprake zou zijn is naar het oordeel van de rechtbank niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. Daar is de rechtbank ook anderszins niet van gebleken. De beroepsgrond slaagt niet. Asielaanvraag in Kroatië 7. Eisers betwisten niet de systematiek van Eurodac, maar voeren aan dat vingerafdrukken gedwongen zijn afgenomen, dat niet is verklaard asiel te willen aanvragen in Kroatië, dat is aangegeven door te willen reizen naar Nederland om daar asiel aan te vragen en dat de Kroatische politie heeft medegedeeld dat de vingerafdrukken louter ten behoeve van strafrechtelijke doelen (een algemene politietaak) werden afgenomen en niet ten behoeve van Eurodac. Verweerder wordt daarom verzocht aan de Kroatische autoriteiten te vragen het equivalent van de M-035 te overleggen in de beroepsprocedure. 8. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eisers vingerafdrukken in Kroatië hebben afgestaan. Zoals uit de resultaten van het Eurodac-onderzoek blijkt, zijn eisers in Kroatië geregistreerd met referentienummers [referentienummer 1] en [referentienummer 2] . Gelet op artikel 24, derde en vierde lid, van Verordening 603/2013 moet op grond hiervan worden geconcludeerd dat eisers in Kroatië een asielverzoek hebben ingediend. Met de claimakkoorden heeft Kroatië ook aangenomen dat er asielaanvragen zijn gedaan en acht het zich daarom verantwoordelijk voor de behandeling daarvan. Eisers hebben geen concreet onderbouwde gronden aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij in Kroatië niet hebben verzocht om asiel. Daarbij heeft eiseres in het aanmeldgehoor bevestigd in Kroatië asiel te hebben aangevraagd. Dat is ook niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Dat verweerder aan Kroatië zou moeten verzoeken een document over een asielaanvraag in Kroatië over te leggen, is daarom niet aan de orde. Ten aanzien van de verklaring dat het de bedoeling was om naar Nederland te komen en dat dit ook bij de autoriteiten in Kroatië kenbaar is gemaakt, heeft verweerder terecht overwogen dat in de Dublinverordening de criteria zijn vastgesteld voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Bij het toepassen van deze criteria is de intentie van eisers – om in Nederland te verblijven – niet bepalend. Het aangevoerde is naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak op dit punt. De beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 9. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er hebben zich feiten en omstandigheden voorgedaan na de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 die niet zijn betrokken. De Kroatische autoriteiten hebben ten aanzien van eisers mensenrechtenschendingen begaan en zich niet gehouden aan hun internationale verplichtingen en de Europese richtlijnen. Eisers hebben verklaard over de detentie, de mensonterende omstandigheden daar en foltering die door de politie heeft plaatsgevonden. Het was niet mogelijk hierover te klagen, onder meer omdat er geen (gesubsidieerde) rechtsbijstand was. Eisers hebben geen financiële middelen om zelf een advocaat te betalen. De politie in Kroatië vernielt stelselmatig goederen en documentatie van asielzoekers, foltert en vernedert. Eisers verwijzen ter nadere onderbouwing onder meer naar het rapport van HRW van juni 2023 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 15 juni 2022 en de daar gestelde prejudiciële vragen, waarvan de antwoorden dienen te worden afgewacht. Nu handelen zonder te weten wat de uitkomst wordt van die procedure, kan bij overdracht leiden tot onherstelbare schade en schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. 10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit oordeel heeft de Afdeling nadien diverse keren herhaald, bijvoorbeeld in een recente uitspraak van 24 januari 2024. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kunnen eisers doen met objectieve (landen)informatie en/of aan de hand van verklaringen over hun eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eisers aannemelijk maken dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo). 10.1 Met de verwijzing naar de hierboven genoemde jurisprudentie en openbare bronnen zijn eisers er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij bij overdracht naar Kroatië geen toegang tot de asielprocedure, opvang, zorg en rechtsbijstand zouden krijgen dan wel dat hun asielaanvragen niet behandeld zullen worden en zij een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De verwijzing naar het rapport van HRW van juni 2023 leidt niet tot een ander oordeel aangezien daarin, voor zover dit rapport niet expliciet bij genoemde Afdelingsuitspraken is betrokken, geen wezenlijk ander beeld wordt geschetst. Dit betekent dat verweerder onder verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit heeft kunnen gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt. Met het claimakkoord heeft Kroatië bovendien gegarandeerd dat eisers worden opgevangen, de asielverzoeken in behandeling zullen worden genomen en zich ook gebonden aan de voorwaarden zoals bepaald in de Europese richtlijnen die gelden met betrekking tot onder meer medische zorg en opvang. Er zijn ook diverse opvanglocaties voor kwetsbare vreemdelingen en zij krijgen alle bijbehorende rechten om hun asielaanvraag af te wachten. Bij voorkomende problemen kan en mag bovendien van eisers verwacht worden dat zij zich tot de Kroatische autoriteiten wenden. Niet is aangetoond dat dit niet van hen verwacht kan worden. 10.2 Ten aanzien van verwijzing naar de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2022 wordt het volgende overwogen. De Afdeling heeft op 16 augustus 2023 overwogen dat de prejudiciële vragen die aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd voor een situatie als deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen wordt er geen aanleiding gezien om de beslissing aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet. Kwetsbaarheid, Tarakhel 11. Eisers voeren aan dat zij als kwetsbaar dienen te worden aangemerkt. Eisers behoren tot de LHBTIQ+ gemeenschap en hebben medisch-psychische zorg nodig. Er moet worden gegarandeerd dat zij samen kunnen blijven en de benodigde medische zorg en voorzieningen in Kroatië krijgen. 12. De rechtbank stelt vast dat, voor zover eisers stellen dat er aanvullende garanties dienen te worden afgegeven onder verwijzing naar het arrest Tarakhel, dat arrest betrekking heeft op een gezin met minderjarige kinderen. In het arrest hadden de vreemdelingen aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Italië geen adequate opvangvoorzieningen zouden krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, als aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon kunnen hierbij van belang zijn. Ook volgt uit deze uitspraak dat aannemelijk moet worden gemaakt dat zich vergelijkbare omstandigheden voordoen als die waarmee de vreemdelingen in het arrest zich geconfronteerd zagen. De bewijslast dat sprake is van zo’n bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling(en). Uit de verklaringen kunnen geen bijzondere behoeften van eisers worden afgeleid. De genderidentiteit leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Daarbij wordt overwogen dat uit artikel (31
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.