← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:3941

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.23350 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , V-nummer: [V nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. W.J. Rohlof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hogendoorn). Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Verzoekster wil met dit verzoek bereiken dat zij niet mag worden uitgezet totdat verweerder heeft beslist op haar bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2023 (het bestreden besluit). In dit besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel familie en gezin, op grond van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), afgewezen. Het verzoek zou op 15 januari 2024 op zitting worden behandeld. Verweerder heeft bij brief van 29 december 2023 medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van wat in het verzoekschrift is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster tot een beslissing is genomen op het bezwaarschrift. Daarbij heeft verweerder op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. Bij brief van 2 januari 2024 heeft verzoekster ook toestemming gegeven om de zaak buiten zitting af te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft afgesloten. Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.1
  2. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
  3. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster in deze fase behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorziening toe en verbiedt verweerder om verzoekster uit te zetten tot de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
  4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
  5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; schorst het primaire besluit en verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 09 januari 2024 Documentcode: [Documentcode] Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.