← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:419

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL23.34891 en NL23.34893 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [naam 1], verzoeker V-nummer: [nummer 1] [naam 2] , verzoekster V-nummer:[nummer 2], hierna: verzoekers, mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen, (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 november 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. De asielaanvraag van verzoekers is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening een termijn van zes maanden na het claimakkoord waarbinnen verzoekers dienen te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De uiterste overdrachtsdatum voor verzoekers is 1 maart 2023, respectievelijk 4 maart
  2. De met deze verzoeken samenhangende beroepen (NL23.34890 en NL23.34892) zouden worden behandeld op de zitting van 10 januari
  3. De rechtbank heeft de behandeling van de beroepszaken echter aangehouden op verzoek van de gemachtigde van verzoekers, omdat zij vanwege een spoedsituatie in de privésfeer niet ter zitting kan verschijnen.
  4. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit meebrengt dat de beroepen van verzoekers mogelijk niet kunnen worden afgehandeld binnen de overdrachtstermijn van zes maanden of slechts kort voor het verstrijken daarvan. Daarnaast is het volgende van belang.
  5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 22 november 2023 uitgelegd dat alleen het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening in eerste aanleg nog niet leidt tot opschorting van de overdrachtstermijn. De voorlopige voorziening moet dan ook daadwerkelijk zijn getroffen. Daarnaast volgt uit deze uitspraken en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 maart 2023 dat een op verzoek van verweerder in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening de overdrachtstermijn alleen opschort als de voorzieningenrechter van de rechtbank de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep al heeft opgeschort overeenkomstig artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Als de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep niet is opgeschort, leidt toewijzing in hoger beroep van een verzoek van verweerder tot het treffen van een voorlopige voorziening niet tot opschorting van de overdrachtstermijn. Toewijzing van het verzoek in hoger beroep betekent in dat geval uitsluitend dat verweerder de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. De toewijzing heeft dan geen gevolgen voor de overdrachtstermijn.
  6. Verder hebben verzoekers belang om – zoals zij ook hebben verzocht – de uitkomst van hun beroepen in Nederland af te wachten.
  7. De voorzieningenrechter ziet in dit alles aanleiding om bij wijze van ordemaatregel de verzoeken om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe te wijzen, waarmee de overdrachtstermijnen worden gestuit.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - treft de voorlopige voorzieningen dat de bestreden besluiten worden geschorst en dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op de beroepen. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Verordening (EU) Nr. 604/
  9. ECLI:NL:RVS:2023:4197, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199 ECLI:EU:C:2023:272.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.