RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL23.25167 en NL24.6176 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. H. Chamkh en mr. C. Wesenbeek). Procesverloop
(2023)546 final). In de toelichting op dat voorstel, in het bijzonder voetnoot 2, wordt artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit niet genoemd. Hieruit leidt de Afdeling af dat artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit alleen relevant is voor het Verlengingsbesluit voor zover lidstaten deze bepaling toepassen op het moment dat het Verlengingsbesluit door de Raad is vastgesteld. Deze uitleg vindt ook steun in de bevoegdheid die de staatssecretaris heeft om de toepassing van een Unierechtelijke facultatieve bepaling te beëindigen, zoals vastgesteld onder 8.1.” 10.2 De rechtbank is echter van oordeel dat de tijdelijke bescherming ook voor derdelanders met het Verlengingsbesluit tot 4 maart 2025 is verlengd. In artikel 1 van het Verlengingsbesluit staat: “De tijdelijke bescherming die wordt verleend aan ontheemden uit Oekraïne als bedoeld in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, wordt met één jaar verlengd tot en met 4 maart 2025’’. Omdat Nederland artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit voor derdelanders die zich hebben ingeschreven in het BRP vóór 19 juli 2022, zoals eiser, heeft toegepast, is eiser een ontheemde uit Oekraïne als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit. Met artikel 1 van het Verlengingsbesluit wordt de tijdelijke bescherming voor alle ontheemden die vallen onder artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit tot en met 4 maart 2025 verlengd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit genoemde groepen. De rechtbank kan in artikel 1 van het Verlengingsbesluit ook geen beperking van de toepasselijkheid lezen ten aanzien van ontheemden waaraan via de facultatieve bepaling tijdelijke bescherming wordt verleend. De rechtbank volgt dan ook niet dat derdelanders zoals eiser, die zich vóór 19 juli 2022 hebben ingeschreven in de BRP, niet onder het Verlengingsbesluit vallen, alleen omdat verweerder vóór 19 oktober 2023 ervoor heeft gekozen om derdelanders die niet vóór 19 juli 2022 zijn ingeschreven geen tijdelijke bescherming te verlenen. De vóór 19 juli 2022 in de BRP ingeschreven derdelanders ontleenden toen het Verlengingsbesluit werd genomen onverminderd tijdelijke bescherming aan de richtlijn. In het gegeven dat de tijdelijke bescherming op grond van het Uitvoeringsbesluit na 4 maart 2024 niet automatisch geldt maar op grond van een besluit tot verlenging van de Raad op grond van artikel 4, tweede lid, van de richtlijn, ziet de rechtbank ook geen reden om te concluderen dat de verlenging niet geldt voor derdelanders zoals eiser. Eisers beroepsgrond slaagt. Prejudiciële vragen
- Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de rechtbank als Unierechter op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen kan en dient te stellen aangezien de Afdeling daarvan heeft afgezien. Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de Afdeling geen aanleiding heeft gezien om prejudiciële vragen te stellen en dat hij dat volgt. Volgens verweerder is sprake van een acte clair. 11.1 Van een acte clair is sprake als een Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder geformuleerd is dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan. In zo’n geval vervalt de verwijsplicht van de nationale rechter. De rechtbank concludeert dat daar in dit geval geen sprake van is. De Afdeling en deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond, ‘s-Hertogenbosch en Haarlem, beantwoorden de vraag of de tijdelijke bescherming van derdelanders met het Verlengingsbesluit is verlengd, verschillend. Er is verder geen sprake van een acte éclairé. Er lijkt dus redelijkerwijs twijfel mogelijk over de uitleg of het toepassingsbereik van de hier relevante Europeesrechtelijke bepalingen. 11.2 De rechtbank heeft echter besloten om desondanks geen prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank is, nu haar uitspraak vatbaar is voor hoger beroep, niet verplicht om vragen te stellen. Het is primair aan de Afdeling, als hoogste bestuursrechter, om dat te doen. Niet is vast te stellen of de Afdeling al heeft overwogen om over het eindigen van de bescherming op 4 maart 2024 prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Partijen hebben in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 geen standpunt kunnen innemen over het van rechtswege eindigen van de bescherming op 4 maart 2024 en dus ook niet kunnen aanvoeren dat de Afdeling prejudiciële vragen zou moeten stellen. Mocht deze uitspraak van de rechtbank leiden tot een hoger beroep, dan kan de Afdeling die vragen wellicht alsnog stellen. Verder zal het stellen van prejudiciële vragen naar verwachting niet tot resultaten leiden vóór 4 maart 2025 en de rechtbank acht het van groot belang om nu een beslissing te nemen over eisers recht op tijdelijke bescherming. Had verweerder eiser voorafgaand aan het besluit van 7 februari 2024 moeten horen?
- Eiser voert aan dat verweerder hem voorafgaand aan het besluit van 7 februari 2024 had moeten horen of schriftelijk om een zienswijze had moeten vragen. Eiser heeft in de zomer van 2023 weliswaar een zienswijze over het terugkeerbesluit ingediend, maar het is inmiddels negen maanden sinds het voornemen tot beëindiging van de tijdelijke bescherming. In die periode kan het nodige veranderd zijn. 12.1 Uit de uitspraak van de Afdeling 2 juni 2021 en de daarin genoemde arresten van het Hof van Justitie leidt de rechtbank af dat als hoofdregel geldt dat een vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van een terugkeerbesluit moet worden gehoord. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken als de vreemdeling al eerder de gelegenheid heeft gekregen om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is. In het voornemen van 30 juni 2023 stelt verweerder dat eisers recht op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 eindigt en dat hij moet bepalen of aan eiser een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Eiser is daarbij de gelegenheid geboden om binnen vier weken na het voornemen van 30 juni 2023 een zienswijze in te dienen. Dat heeft hij op 2 augustus 2023 gedaan. Vervolgens is in het besluit van 1 september 2023 bepaald dat het recht van eiser op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 eindigt, hij vanaf die datum niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en binnen vier weken moet vertrekken. Zoals eerder in deze uitspraak uiteen is gezet, is dat besluit ingetrokken en is tegen eiser op 7 februari 2024 een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd. De periode tussen de juli/augustus 2023 en februari 2024 vindt de rechtbank niet dusdanig lang, dat eiser voorafgaand aan het besluit van 7 februari 2024 had moeten worden gehoord of opnieuw de kans had moeten krijgen een zienswijze in te dienen. Conclusie en gevolgen
- De rechtbank is van oordeel dat de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep derdelanders, waar eiser onder valt, niet van rechtswege eindigt op 4 maart
- Met het Verlengingsbesluit is het recht op tijdelijke bescherming van eiser tot 4 maart 2025 verlengd. 13.1 Het beroep NL23.25167 is gegrond voor zover het is gericht tegen de besluiten van 24 januari 2024 en 7 februari 2024 en de rechtbank vernietigt die besluiten. Dat beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 1 september
- Ook het beroep met nummer NL24.6176 is niet-ontvankelijk. 13.2 Omdat het beroep NL23.25167 gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betaling. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat eiser een beroepschrift heeft ingediend. Voor het verschijnen ter zitting is aan eiser in de uitspraak van 11 maart 2024 over het verzoek om een voorlopige voorziening een proceskostenvergoeding van € 875,- toegekend. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in dit beroep niet tot betaling van die proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met nummer NL23.25167 voor zover het is gericht tegen het besluit van 1 september 2023 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep met nummer NL23.25167 voor het overige gegrond; - vernietigt de besluiten van 24 januari 2024 en 7 februari 2024; - verklaart het beroep met nummer NL24.6176 niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. S. Mac Donald, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. Uitspraak van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- ECLI:NL:RVS:2024:32 machtiging tot voorlopig verblijf. Uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC
- Uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ
- Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 19 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3694, en zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:
- Zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:
- ECLI:NL:RVS:2021:
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3134.