← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:4369

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7158 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , verzoekers V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann). Procesverloop Met het besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam referent] (referent) van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van [naam verzoekster] (verzoekster) ingewilligd. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de termijn van maximaal drie maanden voor het ophalen van de mvv-sticker bij de Nederlandse ambassade in Addis Abbeba en het reizen naar Nederland wordt opgeschort tot op het bezwaar van de minderjarige kinderen van verzoekster is beslist. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. Allereerst zal worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
  2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het geval van verzoekster geen spoedeisend belang aanwezig is. Verzoekster zou, naar eigen zeggen, haar minderjarige kinderen moeten achterlaten als de termijn voor het ophalen van de mvv-sticker niet wordt opgeschort. Verzoekster heeft echter deze termijn van drie maanden in bezwaar aangevochten, waardoor deze nog niet in rechte vaststaat. Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard, zal zij dus alsnog de mvv-sticker kunnen ophalen binnen een voor haar redelijke termijn. Of dat bezwaar gegrond wordt verklaard, zal mede afhangen van de uitkomst van de bezwaarprocedures van de gestelde minderjarige kinderen van verzoekster tegen de afwijzing van de voor hen aangevraagde mvv.
  3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal houden.
  4. Het bezwaar heeft dan ook niet op voorhand een redelijke kans van slagen.
  5. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.