RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.16698 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M.I. Latul). Inleiding
(2015)een bijstandsuitkering ontvangt. Ook referente ontvangt (op het moment van het bestreden besluit) een uitkering. Verweerder merkt daarbij op dat het spijtig is dat referente medische problemen heeft, maar dat niet is gebleken dat zij geen werkzaamheden kan verrichten om inkomsten te verkrijgen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de inkomsten van [kleinkind 1] en [kleinkind 2] uit bijbaantjes ook te weinig zijn om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van eiseres. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de inkomsten van het gezin gering en niet duurzaam zijn, en dat het vooralsnog onduidelijk is of het gezin in de toekomst voldoende middelen heeft om in het levensonderhoud van het gehele gezin te kunnen voorzien. 9.3 De arresten waarnaar eiseres heeft verwezen zien, zoals verweerder terecht stelt, op niet vergelijkbare situaties. In de arresten waren de vreemdelingen die verblijf zochten bij ouders allen minderjarig, in geen van de genoemde arresten was sprake van een relatie tussen grootouder en kleinkinderen. Daarnaast ging het in die arresten om situaties waarin de afwijzing feitelijk alleen gebaseerd was op de omstandigheid dat de vreemdelingen bijstand ontvingen, terwijl de andere belangen in het voordeel van de vreemdelingen uitvielen. Daar is in de situatie van eiseres geen sprake van. 9.4 De stelling van eiseres dat verweerder alsnog bij de beoordeling moet betrekken dat referente in de beroepsfase een eenmanszaak is begonnen, aan het inkomensvereiste voldoet en geen uitkering meer nodig heeft, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De rechtbank volgt verweerder in het oordeel dat er sprake is van een ex tunc toetsing in de beroepsfase. Vaststaat dat referente op het moment van het bestreden besluit niet werkte en op basis van de toen bekende gegevens heeft verweerder een beperkt gewicht aan de door haar verrichtte inspanningen om aan werk te komen kunnen toekennen. Bovendien is niet gebleken dat referente thans geen bijstand meer ontvangt en is, gelet op het feit dat zij enkel stukken over haar huidige inkomen heeft ingediend die zien op een periode van anderhalve maand, onvoldoende duidelijk of haar inkomsten ook structureel zullen zijn en of referente bijstandsonafhankelijk zal blijven. Ook op zitting is dit niet gebleken. 9.5 De stelling van eiseres dat verweerder haar ten onrechte tegenwerpt dat zij gelet op haar leeftijd en medische geschiedenis aanspraak zal moeten maken op Nederlandse voorzieningen zoals gezondheidszorg, gaat niet op. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan naar de uitspraak van 25 april 2023 waarover in rechtsoverweging 7.1 al is geoordeeld. Niet is gebleken van andere omstandigheden in de gezondheid van eiseres waardoor de belangenafweging in het voordeel van eiseres dient uit te vallen. 9.6 De beroepsgronden die zien op het economische belang, slagen niet. Intensiteit van het gezinsleven/belang van het minderjarig kind
- Eiseres stelt dat verweerder de intensiteit van het gezinsleven niet zorgvuldig heeft gewogen in het bestreden besluit, omdat verweerder de samenwoning van eiseres met de kleinkinderen niet als een zwaarwegend belang heeft meegenomen. 10.1 Allereerst stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder aannemelijk acht dat eiseres van 2015 tot 2019 met haar dochter en kleinkinderen in [plaats] heeft samengewoond en dat verweerder de hechte persoonlijke banden heeft aangenomen op basis van die periode. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevend gewicht aan de samenwoning hoeven toekennen. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging
- in de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2023, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat er zwaar gewicht wordt gehecht aan het feit dat de biologische ouders van de kleinkinderen van eiseres altijd in beeld waren en dat na het vertrek van hun vader naar Nederland, hun moeder bij hen bleef. Daarnaast zijn beide ouders momenteel in beeld en zijn zij de primaire verzorgers van de kleinkinderen van eisers. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit de intensiteit van het gezinsleven minder zwaarwegend maakt dan bijvoorbeeld de situatie dat beide biologische ouders permanent of langdurig afwezig zijn. Verweerder heeft dit in het nadeel van eiseres mogen meewegen. 10.2 Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, de belangen van de kleinkinderen en daarmee de samenwoning en de intensiteit van het gezinsleven voldoende in het bestreden besluit heeft meegewogen. Verweerder heeft immers in de afweging kenbaar meegenomen dat het begrijpelijk is dat de verhuizing naar Nederland en het achterblijven van eiseres een impact heeft op [kleinkind 1] , maar dat niet is aangetoond dat de fysieke problemen van [kleinkind 1] , zoals zijn astma-aanvallen direct verband houden met de afwezigheid van eiseres. Verweerder betwist niet dat [kleinkind 1] door een moeilijke tijd heen is gegaan en nog steeds gaat, maar dit is geen reden is om de belangenafweging in het voordeel van eiseres te laten uitvallen. De ouders van [kleinkind 1] (zijn primaire verzorgers) en de Nederlandse staat kunnen [kleinkind 1] bij deze problemen ondersteunen. Verweerder heeft, zoals ook overwogen in de uitspraak van 25 april 2023, niet ten onrechte gesteld dat de kleinkinderen thans op een leeftijd zijn waarin zij steeds zelfstandiger worden, waardoor het belang van eiseres om deel te nemen aan de opvoeding steeds kleiner wordt. Het voorgaande maakt, bij elkaar bezien, dat verweerder de belangen van het kind voldoende kenbaar gemotiveerd heeft meegewogen in het bestreden besluit. 10.3 De beroepsgronden die zien op de intensiteit van het gezinsleven en de belangen van de kleinkinderen, slagen daarom ook niet. Chavez-Vilchez
- Voor zover eiseres aanvoert dat aan de voorwaarden van het Chavez-Vilchez arrest wordt voldaan stelt de rechtbank vast dat deze rechtbank in haar uitspraak van 25 april 2023 heeft overwogen dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aan de voorwaarden uit het Chavez-Vilchez arrest is voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet. Restrictief toelatingsbeleid
- De stelling van eiseres dat het disproportioneel is om de categorie ouderen van gezinshereniging uit te sluiten, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft om zijn eigen beleid vast te stellen. Verweerder heeft er bewust niet voor gekozen om grootouders met kleinkinderen te herenigen, gelet op het restrictief toelatingsbeleid en het feit dat deze groep doorgaans veel gebruik maakt van de door de maatschappij betaalde publieke voorzieningen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in het geval van eiseres niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat er toch een positieve verplichting op Nederland rust om verblijf aan eiseres toe te kennen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond vanwege het onder rechtsoverweging 8.1 geconstateerde gebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvalt. 13.1 Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast draagt de rechtbank verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven; - draagt verweerder op het griffierecht van € 184,- te vergoeden aan eiseres; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zaaknummer AWB 21/
- Zaaknummer NL22.
- EHRM arrest Haydarie e.a. tegen Nederland van 20 oktober 2005 (8876/04), EHRM arrest Hasanbasic tegen Zwitserland van 11 juni 2013 (52166/09), en EHRM arrest B.F. e.a. tegen Zwitserland van 4 juli 2023 (13258/18). Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 inzake Chavez-Vilchez en anderen (ECLI:EU:C:2017:354).